Welkom op Huis Brederode

Nakomelingen van Dirk Droossaard, 1e heer van Brederode

Aantekeningen


Treffers 1 t/m 50 van 635

      1 2 3 4 5 ... 13» Volgende»

 #   Aantekeningen   Verbonden met 
1 (getocht door haar man 25 april 1509) van IJsselstein, Catharina (I11106)
 
2 (zou dit de Jan van Reimerswaal kunnen zijn, die 23 december 1515 werd beleend met 285 gemeten 161 roeden ambachts te Inclenoort enz. ?) van Reimerswaal, Jan (I11117)
 
3 Alexander werd voortijdig, geboren om 2:45 ’s nachts op 6 april 1871 in het Sandringham House. Door de premature bevalling werd de kleine Alexander als ziekelijke baby geboren en stierf vierentwintig uur na zijn geboorte. Hij werd gedoopt in besloten kring op de avond na zijn geboorte door dominee W. Lake Onslow. De Prins en Prinses van Wales, een hofdame en een dokter waren bij die ceremonie aanwezig. Ook al werd hij gedoopt als Alexander John Karel Albert, hij stond in de familie bekend als John.

Achtenveertig jaar later begroef ook Johns broer, koning George V zijn jongste zoon, Prins John. De koning schreef in zijn dagboek, op 21 januari 1919: "Lieve kleine Johnnie werd in het kerkhof naast broer John gelegd". Koningin Alexandra schreef het volgende in haar dagboek: "Nu liggen onze twee lievelingen Johnnies zij aan zij". De prins werd in de Sandringham Kerk (de Kerk van St Mary Magdalene), begraven 
van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland, Alexander John Karel Albert (I10050)
 
4 Aage was een Deense prins uit het Huis Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Glücksburg.

In 1909 trad Aage toe tot het Deense leger. In de Eerste Wereldoorlog diende hij als luitenant, onder meer in Italië. In 1922 kreeg hij toestemming van zijn vader om toe te treden tot het Frans Vreemdelingenlegioen. Bij dat legioen nam hij - als kapitein - deel aan de Rif-oorlog in Marokko. Hij ontving het Franse Croix de guerre, naar aanleiding van zijn inspanningen daar. Hij verbleef zeventien jaar in het legioen en werd ook nog onderscheiden met een orde in de Franse Legioen van Eer.

In 1940 stierf hij in Marokko, maar hij werd - in eerste instantie - begraven in Sidi-bel-Abbès, in Algerije.

In 1962 werd zijn lichaam, tezamen met dat van drie andere soldaten, herbegraven in de Franse plaats Puyloubier 
van Denemarken, Aage Christiaan Alexander Robert (I9745)
 
5 Adalbert was een prins uit het huis Hohenzollern.

Adalbert werd, samen met zijn oudere broer, kroonprins Wilhelm opgeleid in het leger. Vervolgens ging hij naar het Marine-instituut in Kiel om opgeleid te worden tot marineofficier.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog voerde Adalbert het bevel over verschillende onderdelen van de Duitse vloot. Als marine-man trof het hem bitter dat juist een muiterij in de haven van Kiel (op 4 november 1918) het einde van de Duitse monarchie inluidde.

Na de oorlog woonde Adalbert teruggetrokken met zijn gezin in een villa in Bad Homburg. Vanaf 1928 vertrok het gezin op doktersadvies naar Zwitserland, vooral omdat de berglucht Adelheids zwakke gezondheid goed zou doen. 
von Preußen, Adalbert Ferdinand Berengar Viktor (I11156)
 
6 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Czartoryski, vorst Adam Karol (I9727)
 
7 Adelheid was de laatste hertogin van Nassau en de eerste groothertogin-gemalin van Luxemburg uit het huis Nassau.

In 1866 verloor haar echtgenoot na de Duitse Oorlog het hertogdom Nassau, dat door Pruisen werd geannexeerd.

In 1890 stierf koning Willem III der Nederlanden, tevens groothertog van Luxemburg, zonder mannelijke nakomelingen na te laten. Zijn dochter Wilhelmina erfde de Nederlandse troon, maar het groothertogdom van Luxemburg was niet overerfbaar in de vrouwelijke lijn. Conform de bepalingen van de Nassause erfvereniging ging de titel op 23 november 1890 over op Adolf van Nassau. Adelheid Marie werd daarmee groothertogin-gemalin van Luxemburg. 
von Anhalt-Dessau, Adelheid Marie (I9816)
 
8 Adolf Frederik III was van 1708 tot aan zijn dood hertog van Mecklenburg-Strelitz. Hij behoorde tot het huis Mecklenburg.

In 1701 stichtte zijn vader het hertogdom Mecklenburg-Strelitz.

Na de dood van zijn vader in 1708 werd Adolf Frederik III de tweede hertog van Mecklenburg-Strelitz. In 1712 brandde het hertogelijk kasteel en de stad Strelitz volledig af, waardoor Adolf Frederik III en zijn familie verplicht waren om zich in hun jachtslot te vestigen. Rond dit kasteel werd een nieuwe stad Neustrelitz gebouwd, die in 1733 werd gesticht en in 1736 officieel de hoofdstad werd van het hertogdom Mecklenburg-Strelitz.

In 1752 stierf Adolf Frederik III op 66-jarige leeftijd in de stad Neustrelitz, waarna hij als hertog van Mecklenburg-Strelitz werd opgevolgd door zijn neef Adolf Frederik IV 
zu Mecklenburg(-Strelitz), Adolf Friedrich (I10462)
 
9 Adolf Frederik IV was van 1752 tot aan zijn dood hertog van Mecklenburg-Strelitz. Hij behoorde tot het huis Mecklenburg.

Na de dood van zijn vader in juni 1752 werd Adolf Frederik IV de erfopvolger van zijn oom Adolf Frederik III. Adolf Frederik III stierf reeds in november 1752, waarna de 14-jarige Adolf Frederik IV de nieuwe hertog van Mecklenburg-Strelitz werd. Wegens zijn minderjarigheid werd hij onder het regentschap van zijn moeder geplaatst, die begeleid werd door koning George II van Groot-Brittannië. In april 1753 werd hij volwassen verklaard en begon hij zelfstandig te regeren.

Van januari tot april 1753 studeerde Adolf Frederik IV aan de Ernst-Moritz-Arndt-Universität in Greifswald en in 1764 werd hij geïnstalleerd als lid van de Orde van de Kousenband. Adolf Frederik IV bleef ongehuwd en had geen kinderen. Na zijn dood in 1794 werd hij als hertog van Mecklenburg-Strelitz opgevolgd door zijn jongere broer Karel II van Mecklenburg-Strelitz 
von Mecklenburg-Strelitz, Adolf Friedrich (I10480)
 
10 Adolf Frederik VI was van 1914 tot 1918 groothertog van Mecklenburg-Strelitz.

Samen met zijn verwant Frederik Frans, de latere groothertog Frederik Frans IV van Mecklenburg-Schwerin, bezocht hij het gymnasium te Dresden. Vervolgens studeerde hij rechten in München en diende hij in het leger.

Groothertog
Adolf Frederik verkreeg na de dood van zijn vader op 11 juni 1914 de groothertogelijke waardigheid. Toen enige maanden later de Eerste Wereldoorlog uitbrak, mobiliseerde hij zijn troepen en streed als bevelhebber aan het front in Frankrijk. Keizer Wilhelm II beloonde hem hiervoor met het IJzeren Kruis der beide klassen en de rang van majoor-generaal. In de binnenlandse politiek trachtte hij de liberale richting van zijn vader voort te zetten, maar hij werd hierbij eveneens tegengewerkt door de ridderstand en de regering.

Zelfmoord en opvolging
Adolf Frederik VI pleegde in de avond van 23 februari 1918 in een bos bij Neustrelitz zelfmoord. Zijn beweegredenen hiervoor zijn niet bekend. Mogelijk speelden de affaire rond de Britse prinses Daisy van Pless en het feit dat hij een niet-adellijke actrice wenste te huwen een rol. Hij werd op 3 maart naar eigen wens begraven op de Liebesinsel te Mirow en niet in de groothertogelijke crypte aldaar.

De ongelukkige groothertog had in een nagelaten brief te kennen gegeven zijn lievelingsneef en petekind Christiaan Lodewijk (1912-1996; zoon van Frederik Frans IV) als zijn opvolger te wensen. Volgens de erfopvolging kwam de troon echter toe aan zijn verwant Karel Michael (1863-1934), die was geboren en getogen in Rusland en in het Russische leger diende. Deze had echter al eerder blijk gegeven van de intentie van zijn aanspraak op de troon te willen afzien. Bovendien kon in deze oorlogstijd van een Russisch militair op een Duitse troon geen sprake zijn. In afwachting van Karel Michaels officiële afstand van zijn aanspraak op de troon werd Frederik Frans IV als regent aangesteld. De Novemberrevolutie leidde echter al enkele maanden later tot het einde van de monarchie 
von Mecklenburg-Strelitz, Adolf Friedrich Georg Ernst Albert Eduard (I10848)
 
11 Adolf Frederik was een Duits koloniaal en reiziger, en hertog van het Verenigd Baltisch Hertogdom (1918).

Hij was een oudere broer van prins Hendrik der Nederlanden en jongere broer van groothertog Frederik Frans III. Hij, zijn broers Hendrik en Frederik Willem werden de kleine prinsen genoemd, ter onderscheiding van de veel oudere kinderen uit hun vaders eerste huwelijk.

Hij bezocht evenals Hendrik het gymnasium Vitzthum te Dresden en nam vervolgens als luitenant dienst in het garderegiment kurassiers. Reeds vroeg werd zijn interesse in verre landen gewekt. In 1894 maakte hij een reis naar Klein-Azië, in 1902 naar Ceylon en Duits-Oost-Afrika. Hij werd in 1904 majoor in het tweede garderegiment dragonders en bezocht in 1905 opnieuw Oost-Afrika. Bekendheid kreeg hij door een grote expeditie naar Afrika in 1907/1908, die van aanzienlijk wetenschappelijk belang was. Met zijn geschriften trachtte hij bij het volk de interesse in Duits kolonialisme te wekken. De regering van Mecklenburg-Schwerin stichtte een "Herinneringsmedaille voor de deelnemers aan de Expeditie naar Afrika 1907 - 1908" ter herinnering aan deze expeditie. Hij bezocht in 1910/1911 West-Afrika en Belgisch-Congo, waar hij van mening was dat Duitsland de natuurlijke hulpbronnen van dat land beter zou kunnen exploiteren dan de Belgen.

Vanwege zijn ervaring in Afrika werd hij op 19 juni 1912 tot gouverneur van Duits Togoland benoemd, welk ambt hij tot 26 augustus 1914 bekleedde. Als zodanig steunde hij plantagemaatschappijen bij het zich toe-eigenen van grondgebieden. Tegen misbruik van minderjarigen greep hij pas in toen dit ook missiescholen trof. Voorts streed hij tegen de slaapziekte.

In de Eerste Wereldoorlog streed hij in het leger van Oostenrijk-Hongarije (1915) en korte tijd in dat van het Ottomaanse Rijk (1916). In 1918 werd hij - na aanvankelijk kandidaat voor de troon van Finland te zijn geweest - aangewezen als hertog van het Verenigd Baltisch Hertogdom, een beoogde semi-soevereine staat binnen het Duitse Keizerrijk die in het kader van de Vrede van Brest-Litovsk uit het gebied van Estland en Letland werd geschapen. Hij besteeg de troon echter nooit en de Duitse nederlaag in de oorlog leidde reeds kort na de oprichting tot het einde van deze staat.

Na de Eerste Wereldoorlog werd hij vicepresident van de Deutsche Kolonialgesellschaft (waarvan zijn broer Johan Albrecht van 1895 tot 1920 president was) en lid van het Internationaal Olympisch Comité.

Sinds 1934 maakte hij om de handelsbetrekkingen te versterken weer reizen naar Afrika en Zuid-Amerika. Van 1949 tot 1951 was hij lid van het Duits Olympisch Comité. Het feit dat hij in 1960 deel uitmaakte van de officiële Duitse delegatie bij de feestelijkheden ter gelegenheid van de onafhankelijkheid van Togo wekte enige opschudding. Hij stierf op 5 augustus 1969 te Eutin 
von Mecklenburg-Schwerin, Adolf Friedrich Albrecht Heinrich (I9237)
 
12 Adolf Frederik was van 1904 tot 1914 groothertog van Mecklenburg-Strelitz.

Adolf Frederik nam in 1870/1871 deel aan de Frans-Pruisische Oorlog en was in 1871 namens zijn vader aanwezig bij de keizerskroning van Wilhelm I te Versailles.

Bij de dood van zijn vader op 30 mei 1904 nam hij de regering op zich. Door het goede financiële beleid van Frederik Willem was hij in staat het aantal ambtenaren te verdubbelen, het pensioenrecht in te voeren en economie en onderwijs te stimuleren. In tegenstelling tot zijn reactionair-conservatieve voorgangers was Adolf Frederik een voorstander van het parlementaire stelsel. Op 4 maart 1907 kondigde hij, evenals de groothertog van buurstaat Mecklenburg-Schwerin, Frederik Frans IV, een grondwetsherziening aan die beter bij de liberale tijdgeest zou aansluiten. Eerdere pogingen hiertoe waren door de ridderstand getraineerd. Tevens trachtte hij de vete met Pruisen die onder het bewind van zijn vader was ontstaan bij te leggen.

Adolf Frederik V stierf in Berlijn en werd in aanwezigheid van keizer Wilhelm II bijgezet in de groothertogelijke crypte te Mirow. Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon Adolf Frederik VI 
von Mecklenburg-Strelitz, Georg Adolf Friedrich Victor Ernst Adalbert Gustav Wilhelm Wellington (I10839)
 
13 Adolf II was van 1911 tot 1918 de laatste vorst van Schaumburg-Lippe.

Als vorst, sinds de dood van zijn vader in 1911, liet hij bij Slot Bückeburg een vorstelijk mausoleum bouwen en gaf hij de opdracht voor verschillende bouwwerken in Bad Eilsen. Andere plannen werden verhinderd door de Eerste Wereldoorlog. In de Novemberrevolutie van 1918 trad hij evenals alle andere Duitse vorsten af (16 november), waarna Schaumburg-Lippe een vrijstaat werd.

Adolf sloot op 10 januari 1920 een morganatisch huwelijk met Ellen Bischoff-Korthaus. In de jaren '20 raakte hij verwikkeld in een financiële affaire met zijn tante Victoria, weduwe van zijn oom Adolf van Schaumburg-Lippe, in verband met haar omstreden nieuwe huwelijk met Aleksander Zoebkov.

Adolf en zijn vrouw kwamen op 26 maart 1936 om het leven toen hun vliegtuig boven Mexico neerstortte in een bergpas tussen de vulkanen Popocatépetl en Iztaccíhuatl. Bij het ongeluk kwamen in totaal 14 mensen om. Adolf werd als titulair hoofd van het huis Schaumburg-Lippe opgevolgd door zijn broer Ernst Walraad van Schaumburg-Lippe 
zu Schaumburg-Lippe, Adolf (I10785)
 
14 Adolf was een Duitse prins uit het huis Schaumburg-Lippe.

Hij trouwde met Victoria van Pruisen. Het paar vestigde zich in Paleis Schaumburg te Bonn.

Na de dood van de kinderloze vorst Woldemar van Lippe in 1895, werd Adolf regent voor diens broer, de geesteszieke Alexander van Lippe. Dit had Woldemar bij testament bepaald. De rechten op de troon van Lippe werden evenwel aangevochten, door de twee grafelijke linies te weten Lippe-Biesterfeld en Lippe-Weißenfeld. De Duitse keizer was op de hand van zijn zwager, de Lippische landdag besloot een en ander over te laten aan een bemiddelingsraad. Deze deed - onder voorzitterschap van Albert van Saksen - in 1897 uitspraak, namelijk dat graaf Ernst van Lippe-Biesterfeld, de grootvader van de latere Nederlandse prins-gemaal Bernhard, de wettelijke opvolger was. Graaf Ernst trad op 17 juli 1897 triomfantelijk zijn vorstendom binnen. Prins Adolf trok zich hierop terug in Bonn.

Zijn huwelijk met Victoria van Pruisen bleef kinderloos 
zu Schaumburg-Lippe, Adolf Wilhelm Viktor (I11019)
 
15 Adolf was van 1839 tot 1866 de laatste hertog van Nassau en van 1890 tot 1905 groothertog van Luxemburg.

Nassau
Bij de dood van zijn vader op 30 augustus 1839 werd hij hertog van Nassau.

Hij regeerde op conservatieve wijze, maar zag zich in het revolutiejaar 1848 op het allerlaatste moment - voor zijn slot stond een woedende menigte van 30.000 mensen - genoodzaakt de zogenaamde "negen eisen der Nassauers" in te willigen en een Kamer van Afgevaardigden met algemeen kiesrecht in te voeren. Hij zette zijn beleid op meer liberale wijze voort en schreef in 1849 Frederik Willem IV van Pruisen zelfs een nederige brief waarin hij deze verzocht de hem door het liberale Frankfurter Parlement aangeboden Duitse keizerskroon te aanvaarden. Later zette zich echter weer een conservatieve periode in waarin Adolf veel van zijn liberale maatregelen terugdraaide: de landdag werd ontbonden, de pers gemuilkorfd en het recht op vergadering en vereniging beperkt.

Nassau was Oostenrijks gezind en in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog van 1866 verklaarde Adolf Pruisen dan ook de oorlog. De overwegend liberale Kamer weigerde echter geld beschikbaar te stellen en op 15 juli moest de hertog vluchten. Pruisen bezette op 18 juli Wiesbaden en beschouwde Nassau na de overwinning als oorlogsbuit. De formele annexatie van het hertogdom vond plaats op 8 oktober.

Luxemburg
Willem III, koning der Nederlanden en groothertog van Luxemburg, liet na zijn dood op 23 november 1890 slechts een dochter na. Deze Wilhelmina volgde hem in Nederland op, maar door de in Luxemburg van kracht zijnde Nassause huisbepalingen kon zij geen groothertogin worden. Derhalve ging de Luxemburgse kroon over op Adolf, hoofd van de Walramse linie van het Huis Nassau. Hij had zich reeds in 1889, toen Willems gezondheidstoestand zeer slecht was, bij de Luxemburgse premier Paul Eyschen als regent aangeboden. Toen Willem III dit vernam, zond hij vanaf zijn sterfbed een telegram aan Adolf van Nassau-Weilburg, waarin hij hem erop wees dat hij het prefereerde om pas na zijn overlijden te worden opgevolgd.

De opvolging van Adolf te Luxemburg was niet het gevolg van de Salische wet zoals vaak gedacht, maar van een Salische structuur zoals die door de overgebleven takken van het huis Nassau in de Erneuter Erbverein van 1783 (bevestigd in 1815) was overeengekomen. De opvolging van Adolf heeft in die zin nog aan een zijden draad gehangen. Hij kon immers van zijn kant de verdragsbepalingen niet meer nakomen door het verlies van zijn erflanden aan Pruisen. Koning-groothertog Willem III voelde zich om die reden ook niet meer aan het Huisverdrag gebonden. Door de inspanningen van koningin Emma der Nederlanden, oomzegger van hertog Adolf, en de politieke elite in Nederland is het verdrag uiteindelijk toch gehonoreerd.

De reeds 73-jarige Adolf hield zich in het liberale Luxemburg afzijdig van de dagelijkse politiek en schoof in 1902 zijn zoon en troonopvolger Willem (IV) Alexander als stadhouder naar voren. Hij besteedde zijn tijd aan het uitbreiden van de kunstcollectie in zijn paleis in de stad Luxemburg en aan de restauratie van het slot Berg, dat sindsdien de residentie van de groothertogelijke familie is. Hij bracht het grootste deel van zijn tijd echter niet in Luxemburg door, maar op zijn slot Hohenburg bij Lenggries in de Beierse Alpen. Hij stierf daar op 17 november 1905 en werd opgevolgd door zijn zoon Willem IV 
von Nassau, Adolph Wilhelm Carl August Friedrich (I9817)
 
16 Agnes von Anhalt-Dessau, Friederike Amalie Agnes (I10767)
 
17 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. di Savoia, Aimone Umberto Emanuele Filiberto Luigi Amedeo Elena Maria Fiorenzo (I9594)
 
18 Aimone, hertog van Spoleto, prins van Savoye en vanaf 1942 vierde hertog van Aosta, was van 18 mei 1941 tot 12 oktober 1943 als Tomislav II officieel koning van de Onafhankelijke Staat Kroatië, een satellietstaat van nazi-Duitsland, hoewel hij nooit voet op Kroatische bodem zette.

Het koninkrijk Joegoslavië sloot in maart 1941 onder grote druk een pact met Duitsland. Hierop zette het leger, aangemoedigd door Engelse agenten, de regering en prins Paul (regent voor de minderjarige koning Peter II) af. Een week later viel een Duits-Italiaans-Hongaars-Bulgaarse strijdmacht Joegoslavië binnen. De Kroaten keerden zich tegen de Serviërs (waartoe de koninklijke familie behoorde) en Kroatië werd als dank hiervoor door Adolf Hitler tot onafhankelijk koninkrijk verheven. Deze staat - die in feite helemaal niet onafhankelijk was en volledig naar de pijpen van Duitsland en Italië danste - besloeg het grootste deel van Kroatië en Bosnië en Herzegovina en werd geleid door de Kroatische fascist Ante Pavelic.

Aimone werd in absentia gekroond tot koning van Kroatië, prins van Bosnië en Herzegovina en woiwode van Dalmatië, Tuzla en Temun. Hij noemde zich in deze hoedanigheid Tomislav II, naar Tomislav, de eerste koning van Kroatië die regeerde van 910 tot 928. Hij bleef echter in Italië wonen, zette nooit voet op Kroatische bodem en had in feite geen enkele macht.

Aimone werd op 3 maart 1942 na de dood van zijn broer de vierde hertog van Aosta. Zijn broer Amadeus, de derde hertog, kwam om in een Brits krijgsgevangenenkamp in Nairobi. Na de Italiaanse capitulatie van 8 september 1943 deed hij op 12 oktober troonsafstand 
van Kroatië, Aimone Robert Margaretha Maria Jozef Torino (I9563)
 
19 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. van België, Albert Felix Humbert Theodoor Christiaan Eugène Marie (I9963)
 
20 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Brenninkmeijer, Albert Alphons Ludgerus (I9501)
 
21 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. von Thurn und Taxis, Albert Maria Lamoral Miguel Johannes Gabriel (I10983)
 
22 Albert was de laatste regerende vorst van Thurn und Taxis (1888-1918) en zette zich in en na zijn regeerperiode in voor de bevolking en voor de cultuur van het vorstendom von Thurn und Taxis, Albert Maria Joseph Maximilian Lamoral (I10924)
 
23 Albert was een Duits historicus en een lid van het voormalige Saksische koningshuis Wettin.

In 1954 deed hij eindexamen gymnasium. Vanaf 1955 studeerde hij aan de Ludwig Maximilians-Universiteit. Hij begon met economie maar studeerde later geschiedenis en volkskunde. Hier promoveerde hij in 1961 op een proefschrift dat handelde over zijn voorvader, koning Johan van Saksen. In datzelfde jaar riep hij, samen met zijn vader en oudere broer (Maria Emanuel) het kapittel van de Saksische Militaire Orde van Sint-Hendrik opnieuw bijeen. Aan de universiteit van München stond hij aan de basis van het Instituut voor Saksische Geschiedenis. Hij schreef tal van werken over de geschiedenis van Saksen.

Pas in 1982 kreeg hij van de regering van de DDR voor het eerst toestemming om zijn vaderland te bezoeken. Hij bezocht Saksen nogmaals in 1983 en 1985, maar daarna kreeg hij geen toestemming meer van de Oost-Duitse regering. Sinds de Duitse hereniging (1989-1990) was Albert Jozef vooral bezig met het verkrijgen van financiële genoegdoening voor het verloren gegane familiebezit 
von Sachsen, Albrecht Joseph Maria Franz-Xaver (I10957)
 
24 Albert was een prins van Saksen-Altenburg.

Van 1861 tot 1865 was hij luitenant in het Vijfde Pruisische Ulanenregiment, daarna trad hij in dienst van het leger van tsaar Alexander III van Rusland, als generaal à la suite. Albert raakte bevriend met de tsaar en was vaak te gast bij het hof in Sint-Petersburg. Na zijn huwelijk keerde Albert terug naar Pruisen, waar hij bij de Pruisische cavalerie eveneens de rang van generaal à la suite kreeg. Nadat Marie hem twee dochters had geschonken, overleed zij. Hierop hertrouwde Albert in 1891 met Helene van Mecklenburg-Strelitz, een dochter van George August van Mecklenburg-Strelitz en Catharina Michajlovna van Rusland. Dit huwelijk bleef kinderloos 
von Sachsen-Altenburg, Albert Heinrich Joseph Carl Viktor Georg Friedrich (I10532)
 
25 Albert was van 11 december 1936 tot aan zijn dood in 1952 koning van het Verenigd Koninkrijk en van de Britse overzeese gebieden. Hij was van 1936 tot 1947 de laatste keizer van Indië en tot 1949 de laatste koning van Ierland.

Als tweede zoon van koning George V was hij aanvankelijk niet voorbestemd om zijn vader op te volgen als koning en stond hij, vooral in zijn jeugd, in de schaduw van zijn oudere broer Eduard (die in de familie en bij zijn vrienden beter bekend was als David). Albert diende tijdens de Eerste Wereldoorlog bij de Royal Navy en na die oorlog nam hij zijn publieke functies waar.

Na de dood van hun vader in 1936 besteeg Alberts broer de troon als Eduard VIII. Minder dan een jaar later deed Eduard VIII afstand van de troon, omdat hij wilde trouwen met de al twee keer gescheiden Amerikaanse Wallis Simpson. De toenmalige Britse minister-president, Stanley Baldwin, informeerde Eduard dat hij niet kon trouwen met mevrouw Simpson én koning blijven; hij moest op dat moment kiezen. Eduard VIII koos voor de liefde en deed afstand van de troon, een unicum in de Britse geschiedenis. Hoewel hij er geweldig tegenop zag, want hij was verlegen en stotterde, moest Albert nu koning worden. Hij besteeg de troon als George VI, de derde monarch uit het huis Windsor. Zijn vrouw, koningin-gemalin Elizabeth, heeft het Eduard en Wallis altijd kwalijk genomen dat zij dit haar man hebben aangedaan.

Vierentwintig uur na zijn troonsbestijging nam het Ierse parlement (de Oireachtas), de External Relations Act aan. Hierdoor had de Engelse monarch geen macht meer in Ierland. Drie jaar later was het Britse Rijk in oorlog met Duitsland, daarna met Italië en ook nog met het Keizerrijk Japan. De Tweede Wereldoorlog had grote gevolgen voor het Verenigd Koninkrijk. De positie van 's werelds grootste mogendheid werd overgenomen door twee rivaliserende supermachten: de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Bovendien begon het rijk na de oorlog uiteen te vallen; de onafhankelijkheid van India en Pakistan in 1947 en de stichting van de Ierse Republiek in 1949 heeft George VI nog meegemaakt.

De toekomstige George VI kreeg als eerste naam Albert en werd in de familiekring "Bertie" genoemd. Hij werd tijdens de regering van zijn overgrootmoeder koningin Victoria geboren in het York Cottage, een huis op het landgoed Sandringham in Norfolk, waar zijn ouders woonden. Zijn vader prins George, hertog van York (Duke of York) en later koning George V, was de tweede zoon van de toenmalige prins Eduard en prinses Alexandra van Wales. Zijn moeder, de hertogin van York (Duchess of York), was de latere koningin Mary. Zij was de oudste dochter van hertog Frans van Teck en prinses Mary Adelaide van Cambridge.

Op de dag dat Albert werd geboren (14 december), was in 1861 zijn overgrootvader prins Albert overleden. Onzeker over hoe diens weduwe koningin Victoria zou reageren op de geboorte van Albert, schreef de prins van Wales aan zijn zoon, prins George, dat de koningin van streek was. Twee dagen later schreef hij weer: "I really think it would gratify her if you yourself proposed the name Albert to her". Dit bedaarde de koningin en in een brief aan de hertogin van York schreef zij: "I am all impatience to see the new one, born on such a sad day but rather more dear to me, especially as he will be called by that dear name which is a byword for all that is great and good".

Albert droeg vanaf zijn geboorte het predicaat en de titel Zijne Hoogheid Prins Albert van York. Bij koninklijk besluit van 28 mei 1898 verleende koningin Victoria aan de kinderen van de oudste zoon van de Prins van Wales de aanspreektitel koninklijke hoogheid. Op de leeftijd van twee jaar werd Albert daardoor Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Albert van York.

Prins Albert had een slechte gezondheid en was vaak ziek. Zijn ouders, de hertog en hertogin van York, waren vaak niet thuis. Als toekomstig koning en koningin waren ze vaak op reis. Albert stotterde hevig toen hij nog een klein kind was en had ook vaak last van maagproblemen. Ook leed de prins aan Genua valga, beter bekend als X-benen, en om dit te genezen moest hij metaalstroken langs zijn benen dragen, wat veel pijn veroorzaakte. Albert werd gedwongen om rechts te schrijven terwijl hij linkshandig was.

Koningin Victoria stierf op 22 januari 1901 en de prins van Wales, Alberts grootvader, volgde haar op als koning Eduard VII. De hertog van York werd de nieuwe prins van Wales. Alberts oudere broer werd de tweede in lijn van de troonopvolging en Albert zelf de derde.

Militaire loopbaan
Vanaf 1909 ging Albert naar de Royal Navy school in Osborne als matroos. Hij begon onderaan, maar door goed werk en een goede reputatie werd hij in 1911 overgeplaatst naar het Royal Naval College in Dartmouth in Devon. Toen koning Eduard VII stierf op 6 mei 1910, werd Alberts vader de nieuwe koning als George V. Eduard werd de nieuwe prins van Wales op 2 juni 1910 en Albert werd tweede in de lijn van de troonopvolging.

Albert werd aangesteld als Adelborst (Engels: Midshipman) op 15 september 1913. Een jaar later begon de Eerste Wereldoorlog. Hij diende op het schip HMS Collingwood in de Zeeslag bij Jutland (31 mei – 1 juni 1916), die uitmondde in een tactische overwinning voor Duitsland, maar een strategische overwinning voor het Verenigd Koninkrijk. Albert moest de oorlog vroegtijdig verlaten omdat hij een maagzweer had. In februari 1918 werd prins Albert aangewezen als Officer in Charge of Boys bij de Royal Naval Air Service (RNAS).

Na de oorlog, vanaf oktober 1919, ging prins Albert een jaar geschiedenis, economie en de leer van burgerrechten en -plichten studeren aan Trinity College in Cambridge. Op 3 juni 1920 werd prins Albert hertog van York, graaf van Inverness en baron van Killarney. Vanaf dat moment vervulde hij koninklijke plichten als vertegenwoordiger van zijn vader, de koning.

In een periode waarin er van de “royals” werd verwacht om te trouwen met kandidaten van koninklijken bloede, was het nogal ongewoon dat Albert veel vrijheid had in het kiezen van zijn vrouw. In 1920 ontmoette hij Lady Elizabeth Bowes-Lyon, de jongste dochter van Claude Bowes-Lyon, 14e graaf van Strathmore en Kinghorne en Cecilia Cavendish-Bentinck. Albert was vastbesloten om met haar te trouwen.

Elizabeth was, hoewel zij afstammeling was van koning Robert I van Schotland en van koning Hendrik VII van Engeland, een gewone burger voor de Britse wet. Elizabeth wees Albert twee keer af en aarzelde bijna twee jaar, omdat ze, naar men zegt, bang was fouten te maken binnen de koninklijke familie. Uiteindelijk accepteerde Elizabeth het aanzoek.

Opvolgingscrisis
Op 20 januari 1936 stierf koning George V en prins Eduard besteeg de troon als koning Eduard VIII. Koning Eduard had geen kinderen en daardoor was Albert de eerste in lijn voor de troonopvolging tot zijn broer kinderen zou krijgen of zou sterven. George V had bedenkingen over zijn oudste zoon Eduard. Hij zou eens gezegd hebben:

- "I pray God that my eldest son will never marry and that nothing will come between Bertie and Lilibet and the throne".
- Vrij vertaald: "Ik bid tot God dat mijn oudste zoon nooit zal trouwen en dat niets in de weg zal staan tussen Bertie (Albert) en Lilibet (Elizabeth) en de troon".

Minder dan een jaar later, op 11 december 1936, abdiceerde koning Eduard VIII om te trouwen met Wallis Warfield Simpson. Eduard werd door de toenmalige minister-president gezegd dat hij niet én koning kon blijven én trouwen met een gescheiden vrouw van wie de twee ex-mannen nog steeds in leven waren. Eduard koos voor zijn liefde en abdiceerde. Dus werd prins Albert, de hertog van York, nu koning, een positie die hij aarzelend accepteerde. De dag voor de bestijging van de troon ging hij naar Londen om zijn moeder, koningin Mary, te bezoeken. Hij schreef in zijn dagboek:

- "When I told her what had happened, I broke down and sobbed like a child".
- Vrij vertaald: “Toen ik haar vertelde wat er gebeurd was, verloor ik mijn zelfbeheersing en huilde als een kind”.

Er is nog gespeculeerd over een troonopvolging door een van zijn twee jongere broers Henry en George, van wie George zelfs een zoon had. Uiteindelijk bleef de keuze bij Albert. Hij koos voor de naam George, omdat koningin Victoria ooit de wens had geuit dat er nooit een koning Albert (de naam van haar betreurde echtgenoot) zou komen, en ook als eerbetoon aan zijn vader. De kroning van George VI vond plaats op 12 mei 1937 in de Westminster Abbey. Er werd geen Durbar (ceremoniële bijeenkomst) in Delhi gehouden voor George VI. Wel werden er twee buitenlandse staatsbezoeken gebracht aan Frankrijk en aan Noord-Amerika.

Regeringsperiode
In 1939 ondernamen de koning en koningin een uitgebreide reis door Canada. Terwijl ze daar waren brachten ze ook een vluchtig bezoek aan de Verenigde Staten. Vanaf Ottawa werd het koninklijk koppel vergezeld door de minister-president van Canada en niet door een Britse minister; dit kwam doordat ze in Canada de titel Koning en Koningin van Canada droegen. George was de eerste regerende monarch van Canada die Noord-Amerika bezocht. Hij was al eerder in Canada geweest, maar toen als prins Albert, hertog van York. De toenmalige Canadese minister-president was William Lyon Mackenzie King, die de koning en koningin ontving in zijn residentie in Rideau Hall.

De gehele reis was bedoeld om Canada niet in een isolement (isolationisme) te laten vallen. Ook al was het grootste gedeelte van de rondreis politiek gezien heel belangrijk, vooral omdat er in Europa oorlog op handen was, toch werden de koning en koningin goed ontvangen door het Canadese volk. De vrees dat George minder geliefd zou zijn dan zijn voorganger, Eduard VIII, werd niet bewaarheid. Ze werden ook warm ontvangen door het Amerikaanse volk; ze bezochten in 1939 de New York World's Fair, ook wel de wereldtentoonstelling van 1939 genoemd. Ze verbleven bij president Franklin D. Roosevelt in het Witte Huis en in zijn privéhuis in Hyde Park in New York.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak in 1939, besloten koning George VI en zijn vrouw om in Londen te blijven en niet naar Canada te vluchten, zoals werd aanbevolen. De koning en koningin bleven in Buckingham Palace tijdens de oorlog, maar 's nachts verbleven ze in Windsor Castle om de Blitz op Londen te ontwijken. George VI en koningin Elizabeth ontkwamen ternauwernood aan de dood, toen twee Duitse bommen in de tuin van Buckingham Palace terechtkwamen.

In 1940 werd Neville Chamberlain vervangen door minister-president Winston Churchill. Tijdens de oorlog legden de koning en koningin vele bezoeken af aan slachtoffers en aan munitiefabrieken. Verder spande de koninklijke familie zich in om het volk te verenigen.

De premier hield de koning op de hoogte van alle belangrijke politieke en militaire beslissingen. De koning was zelf slecht tegen de oorlogstaak opgewassen. Hij was zenuwpatiënt en werd discreet maar goed in de gaten gehouden door zijn medewerkers.

Laatste jaren en overlijden
De stress tijdens de oorlog had zijn tol geëist van de gezondheid van de koning. In januari 1952 zwaaide George zijn oudste dochter uit op het vliegveld. Zij ging op reis naar Australië. Een kinderjuf uit haar jeugd vergezelde Elizabeth tegen wie de koning had gezegd “Take care of Lilibet for me” (“Zorg goed voor Lilibet voor me”). De kinderjuf beloofde dat ze dat zou doen. Het was de laatste keer dat de koning zijn dochter zag. De koning, een kettingroker, leed aan longkanker. Uiteindelijk stierf hij op 6 februari 1952 in zijn slaap aan een hartaanval in Sandringham House in Norfolk, op de leeftijd van 56 jaar. Nadat hij was opgebaard in de Westminster Hall, werd hij bijgezet op 15 februari in de St. George’s Kapel in Windsor Castle. Op 9 februari 2002 stierf de jongste dochter van George VI, Margaret. Op 30 maart van datzelfde jaar stierf zijn weduwe Elizabeth, vijftig jaar na zijn dood. Zij werden naast hun vader en man bijgezet.

Titels
Zijn titels als lid van het huis Windsor.

- Zijne Hoogheid Prins Albert van York (1895-1898)
- Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Albert van York (1898-1901)
- Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Albert van Cornwall en York (1901)
- Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Albert van Wales (1901 - 1910)
- Zijne Koninklijke Hoogheid de Prins Albert (1910 - 1920)
- Zijne Koninklijke Hoogheid de Hertog van York (1920 - 1936)

Zijn titels als meervoudig staatshoofd.

- Zijne Keizerlijke Majesteit, de Keizer van Indië, deze titel werd niet werkelijk gebruikt.
- Zijne Majesteit, de Koning van Canada (1936-1952)
- Zijne Majesteit, de Koning van Australië (1936-1952)
- Zijne Majesteit, de Koning van Nieuw-Zeeland (1946-1952)
- Zijne Majesteit, de Koning van Zuid-Afrika (1936-1952)
- Zijne Majesteit, de Koning van Ceylon (1948-1952)
- Zijne Majesteit, de Koning van Ierland (1936-1949)
- Zijne Majesteit, de Koning van Pakistan (1947-1952)
- Zijne Majesteit, de Koning van het Verenigd Koninkrijk (1936-1952) 
van het Verenigd Koninkrijk, Albert Frederick Arthur George (I10056)
 
26 Albert, hertog van Clarence en Avondale was een lid van de Britse koninklijke familie. Hij was de favoriete kleinzoon van koningin Victoria.

Hij werd in zijn familie Eddy genoemd en stond bij het grote publiek dan ook bekend als prins Eddy. Ook historici duiden hem meestal aan met zijn bijnaam. Toen Albert Victor jonger was heeft hij veel gereisd, vooral in zijn tijd bij de marine. Toen hij ouder was ging hij bij de landmacht, maar hij mocht niet deelnemen aan militaire campagnes. Zijn vader, Albert Eduard, mocht in zijn jongere jaren ook niet deelnemen aan campagnes, vooral omdat hij te dicht bij de troon stond. Na twee mislukte pogingen om hem uit te huwelijken, werd hij in het najaar van 1891 verloofd met prinses Victoria Mary van Teck. Een paar weken na de verloving stierf Albert Victor aan een longontsteking. Victoria Mary van Teck trouwde later met Albert Victors jongere broer, prins George, de hertog van York, die in 1910 koning werd als George V van het Verenigd Koninkrijk. Victoria Mary werd toen koningin Mary.

Albert Victors intellect, seksualiteit en gezond verstand zijn vaak het onderwerp geweest en zelfs nog steeds in onze tijd, van veel speculatie. Geruchten brachten hem in verband met een schandaal waarin hij een homoseksueel bordeel bezocht, ook al is er geen duidelijk bewijs dat hij homoseksueel was. In de jaren 60 werd geopperd dat hij weleens de beruchte seriemoordenaar Jack the Ripper zou kunnen zijn, maar al spoedig werd bewezen dan hij op het moment van die moorden niet in de buurt had kunnen zijn.

Zijn peetouders waren zijn grootmoeder aan vaderskant, koningin Victoria, de oom van koningin Victoria, koning Leopold I van België, zijn grootvader aan moederskant, koning Christiaan IX van Denemarken, de tante van zijn vader prinses Alexandrine van Baden de vrouw van hertog Ernst II van Saksen-Coburg en Gotha, zijn tante aan vaderskant, kroonprinses Victoria van Pruisen, zijn oom aan vaderskant Alfred, de hertog van Edinburgh, Willem van Hessen-Kassel en Louise Carolina van Hessen.

Opvoeding
Toen Albert Victor zeventien maanden oud was werd zijn broertje geboren, prins George van Wales, op 3 juni 1865. In 1871 werd door koningin Victoria John Neale Dalton aangewezen als leraar van de jongens. De twee prinsen kregen een streng programma voor hun studie, waaronder spelletjes en militaire oefeningen, ze kregen ook les over wetenschappelijke onderwerpen. Dalton klaagde vaak over het feit dat Albert Victors geest 'ongewoon sluimerend' was. Hij leerde wel Deens, maar zijn vordering in andere talen was minder goed. Albert Victor was intellectueel nooit erg sterk. Lady Geraldine Somerset gaf Dalton de schuld voor de slechte opvoeding van Albert Victor. Sir Henry Ponsonby dacht dat Albert Victor misschien de doofheid van zijn moeder had geërfd.

In 1885 werd hij naar het leger gestuurd en trad in dienst bij het Tiende Huzaren Cavalerie Regiment. In 1890 werd hij hertog van Clarence en Avondale en graaf van Athlone.

Tijdens zijn leven werd prins Eddy in verband gebracht met verscheidene schandalen. Zo claimde ene Margery Haddon dat hij bij haar (tijdens zijn verblijf in Brits-Indië) een zoon, Clarence Guy Gordon Haddon, had verwekt. Ook zou hij een van de hooggeplaatste personen zijn geweest die betrokken waren bij de Cleveland Street Schandaal (in Cleveland Street stond een bordeel met gigolo’s. Prins Eddy zou een regelmatige bezoeker zijn geweest van dit bordeel).

Huwelijkspolitiek
Meerdere vrouwen werden voor Albert Victor uitgekozen, voor het welslagen van de huwelijkspolitiek. De eerste, in 1889, was prinses Alix van Hessen-Darmstadt, maar zij was niet geïnteresseerd in hem en weigerde zijn aanbod. Zij trad later in het huwelijk met een neef van Albert Victor, de latere tsaar Nicolaas II van Rusland, in 1894. De tweede, in 1890, was prinses Hélène Louise van Orléans, een dochter van Philippe van Orléans, graaf van Parijs, en een achterkleinkind van de laatste Bourbonkoning van Frankrijk, Lodewijk Filips I. In het begin was koningin Victoria zeer tegen dit huwelijk omdat Hélène Louise rooms-katholiek was. Victoria schreef haar kleinkind dat er nog andere kleinkinderen van haar beschikbaar waren, zoals prinses Margaretha van Pruisen, en dat zij een goede vrouw voor hem zou zijn. Maar er gebeurde niets met haar suggestie. Prinses Hélène Louise werd verliefd op de prins en wilde met hem trouwen, Albert Victor wilde voor haar zijn rechten op de troon opgeven. Sinds de Act of Settlement (1701) was het troonopvolgers immers niet toegestaan te trouwen met een katholieke prinses. Het huwelijk werd echter niet goedgekeurd door de vader van Helène Louise. Helène Louise reisde persoonlijk naar Rome om daar paus Leo XIII te ontmoeten, en om te pleiten voor hun huwelijk. Leo XIII was het echter eens met de vader van Helène Louise, en daardoor kwam er een einde aan de affaire. Helène Louise werd later hertogin van Aosta, als vrouw van Emanuel Filibert van Aosta, een zoon van koning Amadeus I van Spanje.

Rond augustus 1890 werd Albert Victor onderzocht door meerdere artsen, maar hij schreef in brieven dat het enkel griep of jicht was geweest. In 1891 schreef Albert Victor aan Lady Sybil St. Clair Eskine, dat hij weer verliefd was, maar hij vertelde niet op wie. Maar in deze tijd diende een andere mogelijke bruid zich aan, prinses Victoria Mary van Teck. Mary was de dochter van een nicht van koningin Victoria, prinses Maria Adelheid van Cambridge, de hertogin van Teck. Koningin Victoria was zeer positief over dit huwelijk en steunde dit dan ook zeer. Victoria vond Mary een ideale (toekomstige) koningin, knap en verstandig. Op 3 december 1891 stelde Albert Victor, tot grote verrassing van de koningin, een huwelijk voor aan Mary op Luton Hoo, de residentie van de Deense ambassadeur van Engeland. Het huwelijk stond gepland voor 27 februari 1892.

Overlijden
Dit kon echter allemaal niet doorgaan. Prins Albert Victor stierf op 14 januari 1892, zes weken voor het huwelijk. Zijn dood was niet geheel onverdacht. Officieel zou hij zijn gestorven aan een longontsteking maar geruchten gaan dat hem een overdosis morfine is toegediend omdat de Britse Kroon hem niet als toekomstig koning wilde hebben, gezien zijn betrokkenheid bij bovengenoemde schandalen. Mary van Teck zou later trouwen met de jongere broer van Albert Victor, George. De dood van Albert Victor raakte de prins van Wales - en dit is in elk geval in tegenspraak met de suggestie dat de Kroon in Albert geen koning zag - heel diep en hij was ontroostbaar. "To lose our eldest son", schreef Eduard, "is one of those calamities one can never really get over". ("Het verlies van onze oudste zoon is een van de calamiteiten die men nooit echt te boven kan komen.") Eduard vertelde aan koningin Victoria, "I would have given my life for him, as I put no value on mine". ("Ik zou mijn leven hebben gegeven voor hem, want aan het mijne hecht ik geen waarde"). Ook zijn moeder, Alexandra, kwam nooit helemaal over zijn dood heen. Zij hield een van zijn kamers in de stijl zoals hij hem had achtergelaten.

Albert Victor is bijgezet in de Albert Memorial Chapel dicht bij de St. George’s Chapel te Windsor Castle 
of Clarence and Avondale, hertog Albert Victor Christian Edward (I10042)
 
27 Albert, prins van Pruisen, was een Pruisisch veldmaarschalk en regent van het hertogdom Brunswijk.

Hij nam in 1847 dienst in het Pruisische leger en maakte in de Duits-Deense Oorlog (1864) onder prins Frederik Karel de veldtocht in Sleeswijk mee. In de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog (1866) speelde hij een leidende rol als overwinnaar in de slagen bij Skalitz, Schweinschädel en Königgrätz. Hij leidde gedurende de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) de tweede gardekavaleriebrigade en maakte de slagen bij Gravelotte en Sedan mee. Op 24 december sloot hij zich met zijn troepen aan bij het leger van generaal Edwin von Manteuffel en nam deel aan de krijgsverrichtingen om Bapaume. Voor de operaties aan de Somme in januari 1871 was hem het opperbevel over meerdere regimenten toevertrouwd en nam hij deel aan de Slag bij Saint-Quentin van 19 januari. Na de oorlog werd hij luitenant-generaal en in 1874 tot bevelhebber van het tiende legerkorps in Hannover. In 1883 werd hij als opvolger van zijn oom Karel Herrenmeister van de Herrenmeister van de Johannieterorde.

Op 25 augustus 1878 maakte Koning Willem III der Nederlanden hem, in het kader van een huwelijk in de families Hohenzollern en Oranje-Nassau (namelijk dat van prins Hendrik met de 35 jaar jongere Maria Elisabeth Louise Frederika van Pruisen) tot commandeur in de Militaire Willems-Orde.

Albert werd in 1885 door de Brunswijkse landdag tot regent verkozen daar de wettige opvolger van de in 1884 zonder wettige nakomelingen gestorven hertog Willem, Ernst August II van Hannover, door Otto von Bismarck niet werd geaccepteerd.

Op 7 februari 1901 vertegenwoordigde prins Albert het Duitse Keizerrijk bij het huwelijk van de Nederlandse koningin Wilhelmina met hertog Hendrik van Mecklenburg.

Keizer Wilhelm II nam hem op in de exclusieve Wilhelm-Orde.

De componist
Prins Albert was ook componist. Het hele gezin was eng verbonden met de militaire muziek in Pruisen. Zijn vader Frederik Hendrik Albert heeft drie marsen van reizen meegebracht, die aansluitend in de Preußische Armeemarsch-Sammlung (Verzameling van militaire marsen van Pruisen) opgenomen werden (AM II, 150; AM II, 183 en AM III, 41). Zijn moeder Marianne der Nederlanden droeg in 1836 een Parademars voor de cavalerie (AM I, 21) voor deze verzameling bij. Zijn zuster Charlotte heeft zelfs vijf marsen voor deze verzameling gecomponeerd.

Prins Albert componeerde als commandant van de bereden troepen vanzelfsprekend een Kavallerie-Parademars, die als AM III, 62 in de verzameling opgenomen werd.

Militaire loopbaan
- Pruisische Leger: 1847
- Leutnant: 1819
- Oberleutnant:
- Hauptmann:
- Major:
- Oberstleutnant:
- Oberst:
- Generalmajor:
- Generalleutnant:
- General der Kavalerie:
- Generaloberst: 16 juni 1871
- Generalfeldmarschall: 19 juni 1888
- Russische Generalfeldmarschall: september 1872

Onderscheidingen
- Pour le Mérite op 19 september 1866
- - Eikenloof op 10 maart 1871
- IJzeren Kruis 1870, 1e klasse en 2e klasse
- Commandeur in de Militaire Willems-Orde op 25 augustus 1878 als Generalleutnant
- Wilhelm-Orde
- Herrenmeister in de Hospitaalorde van Sint-Jan in 1883
- Ridder in de Orde van de Zwarte Adelaar
- Orde van de Toren en het Zwaard
- Orde van de Heilige Stefanus
- Orde van Sint-Andreas de Eerstgeroepene op 30 augustus 1826
- Commandeur in de Orde van Sint-George 
von Preußen, Friedrich Wilhelm Nikolaus Albrecht (I10770)
 
28 Albrecht was een prins uit het Huis Schaumburg-Lippe.

Zijn oudste zus Charlotte was als echtgenote van Willem II van Württemberg de laatste koningin van Württemberg. Zijn jongere zuster Bathildis trouwde met Frederik Adolf Herman van Waldeck-Pyrmont, een jongere broer van de Nederlandse koningin Emma van Waldeck-Pyrmont, en de moeder van de Waldeckse nazi-prins Jozias 
zu Schaumburg-Lippe, Christian Albrecht (I9825)
 
29 Albrecht was hoofd van de linie Castell-Castell en de 3e vorst van Castell-Castell.

Albrecht werd geboren als Graf zu Castell-Castell, lid van het geslacht Castell. Hij was reserveluitenant en ereridder in de Johanniterorde. Hij was mede-eigenaar en bestuurder van de Fürstlichen Castell'schen Bank, de oudste bank van Beieren en in het bezit van het geslacht Castell. Voorts beheerde hij het landgoederenbezit van deze linie. Hij volgde in 1945 zijn vader op als hoofd van de linie Castell-Castell en vorst van Castell-Castell.

Hij bewoonde met zijn familie het stamslot van deze linie van het geslacht, Schloss Castell. (Formeel was hij volgens het Duitse naamrecht Graf zu Castell-Castell; volgens familietraditie wordt hij echter aangeduid als Fürst zu Castell-Castell.) 
zu Castell-Castell, Albrecht (I9882)
 
30 Aleksej was de troonopvolger. De Duitse keizer Wilhelm II was een van Aleksejs peetooms.

Hemofilie
Aleksej leed aan hemofilie, wat in die tijd niet te behandelen was. De tsaar had besloten deze ziekte geheim te houden voor het Russische volk, zodat de Russen zich geen zorgen hoefden te maken over de troonopvolging. Aleksej had gedurende zijn jeugd vaak interne bloedingen, waardoor hij soms niet kon lopen. Hij werd dan gedragen door zijn lijfwacht, de matroos Derevenko. Voor de bloedingen, die bijzonder pijnlijk waren, kreeg hij geen pijnstillers, om te voorkomen dat hij hieraan verslaafd zou worden. Het leek erop dat de bloedingen stopten door toedoen van de monnik en sinistere wonderdoener Raspoetin.

Moord en begrafenis
Op 15 mei 1917 was Aleksej niet langer troonpretendent, omdat zijn vader namens zichzelf en zijn zoon afstand nam van de troon. Ruim een jaar later, op 17 juli 1918, werden de Romanovs vermoord door de communisten. Het massagraf van tsarenfamilie is in het begin van de jaren 90 gevonden. Het lichaam van Aleksej was daar niet bij en het lichaam van zijn zus Maria evenmin. Dit in tegenstelling tot wat men eerst beweerde; dat zus Anastasia afwezig zou zijn. Op 24 augustus 2007 werd door de nieuwszender EuroNews bekendgemaakt dat zeer waarschijnlijk de stoffelijke resten van Aleksej en zijn oudere zuster Maria waren gevonden. Eind april 2008 werd dit door Russische onderzoekers na DNA-tests bevestigd. Het verhaal over de ontsnapping van Aleksej en Maria kan daarmee definitief naar de prullenmand worden verwezen.

De stoffelijke resten van de overige familieleden werden in 1998 in de Sint-Petrus en Pauluskathedraal te Sint-Petersburg herbegraven.

Op 14 augustus 2000 werd Aleksej samen met zijn familie door de Russisch-orthodoxe Kerk tot strastoterpets verklaard, nadat de Russisch-orthodoxe Kerk in het Buitenland hem al in 1978 als martelaar heilig had verklaard. Zijn feestdag is op 4 juli 
van Rusland, Aleksej Nikolajevitsj (I10367)
 
31 Alexander III, bijgenaamd de "vredestichter", was van 1881 tot 1894 tsaar van het Russische Rijk.

Op het moment van zijn geboorte was zijn grootvader, tsaar Nikolaj I, aan de macht en was zijn vader de tsarevitsj van Rusland. Zijn grootouders aan vaderskant waren tsaar Nicolaas I en diens vrouw tsarina Alexandra Fjodorovna, eigenlijk prinses Charlotte van Pruisen de oudste dochter van koning Frederik Willem III van Pruisen. Zijn grootouders aan moederskant waren groothertog Lodewijk II van Hessen-Darmstadt en diens vrouw groothertogin Wilhelmina Louise van Baden.

De pogingen die zijn vader, Alexander II had gedaan om meer autonomie te geven aan het Russische volk werden door Alexander III volledig tenietgedaan. Als gevolg van de moord op zijn vader was hij van mening dat deze vorm van vrijheid alleen maar zou zorgen voor meer revolutionaire ideeën. Hij voerde dan ook een reactionair bewind. Hij ontsloeg de liberaal gezinde ministers van zijn vader, beperkte de bevoegdheden van de zemstvo's, verscherpte het staatstoezicht op middelbaar en hoger onderwijs, breidde de bevoegdheden van de politie aanzienlijk uit en ageerde als behoeder van de orthodoxie streng tegen joden, Rooms-katholieken en protestanten. Opstandelingen en dissidenten werden massaal naar Siberië verbannen. Ook werden gevangenen op zijn bevel wel zodanig gegeseld dat de dood erop volgde. Zijn harde antisemitisme leidde tot een grote migratiegolf van Joden naar de Verenigde Staten. Zijn buitenlandse politiek, aanvankelijk pro-Duits, raakte op Frankrijk georiënteerd. Alexander III stierf, op negenenveertigjarige leeftijd, in zijn zomerresidentie het Livadiapaleis op de Krim en werd opgevolgd door zijn zoon Nikolaj II van Rusland 
van Rusland, Alexander Aleksandrovitsj (I9607)
 
32 Alexander was door zijn huwelijk met de prinses Louise, lid van het Britse koninklijk huis. Hij droeg de titel burggraaf Macduff van 1857 tot 1879, de titel graaf Fife van 1879 tot 1889 en de titel hertog van Fife van 1889 tot 1912.

Jeugd
Zijn vader erfde het graafschap Fife in 1857, waardoor hij de 5de graaf Fife werd. Alexander kreeg hierop de titel burggraaf Macduff. Hij groeide op met vier zussen (Ida, Anna, Alexina en Agnes).

Hij ging van 1863 tot 1866 naar Eton College. Alexander was parlementslid voor het Schotse kiesdistrict Elginshire en Nairnshire van 1873 tot 1879 en had jarenlang verschillende militaire functies. Op 7 augustus 1879 stierf zijn vader en volgde hij hem op als de 6de graaf Fife in de Ierse adelstand. In 1881 ridderde koningin Victoria hem in de Orde van de Distel. Ook schonk ze hem in 1885 de titel graaf van Fife in de Britse adelstand.

Twee dagen na het huwelijk met Louise, schonk koningin Victoria Alexander de titel hertog van Fife en markies van Macduff in de Britse adelstand. In de officiële papieren hiervoor stond dat deze titels over zouden gaan op een mannelijke erfgenaam. Het paar kreeg uiteindelijk in 1890 één zoon, Alastair, hij stierf echter na de geboorte. Later kreeg het paar nog twee dochters, Alexandra (1891-1959) en Maud (1893-1945). Daarom werden er nieuwe documenten opgesteld, zodat ook een dochter de titels kon erven bij gebrek aan een mannelijke erfgenaam. Bovendien benoemde koning Eduard VII Louise in 1905 tot Princess Royal. Ook besloot de koning dat Alexandra en Maud, de dochters van Louise, de titel "prinses van Groot-Brittannië en Ierland" zouden krijgen en de aanspreektitel "Hoogheid". Vanaf dat moment droegen de prinsessen dus niet meer de titels van hun vader en heetten ze Hare Hoogheid Prinses Alexandra van Fife en Hare Hoogheid Prinses Maud van Fife.

Verdere levensloop
In 1902 kreeg Alexander het eerbetoon de Koninklijke Victoriaanse Ketting toegekend. Zijn schoonbroer George V benoemde hem ook nog tot extra ridder van de Kouseband. Vervolgens werd hij nog geridderd in de Orde van het Bad en werd hij een van de persoonlijke raadgevers van de vorst. Tijdens de kroning van zijn schoonvader tot Eduard VII in 1902 en van zijn schoonbroer tot George V in 1911 had Alexander een speciale ceremoniële functie als de zogenaamde "Lord High Constable".

In december 1911 leden Alexander en zijn gezin schipbreuk voor de kust van Marokko, terwijl hij op weg was naar Egypte. Ze bleven allemaal ongedeerd, maar Alexander kreeg pleuritis, waarschijnlijk het gevolg van de schipbreuk. Hij stierf in Aswan, Egypte, in januari 1912. Prinses Alexandra volgde vervolgens haar vader op als de tweede hertogin van Fife en gravin van Macduff. Bij gebrek aan een mannelijke opvolger kwamen zijn andere titels te vervallen, waaronder die van markies van Macduff. Alexander werd begraven in de privékapel van het Mar Lodge Mausoleum te Breamer, Aberdeenshire 
Duff, Alexander William George (I10045)
 
33 Alexander was een Joegoslavische prins uit het huis Karadordevic.

Prins Alexander woonde in Parijs. Begin 2008 tekende hij protest aan tegen de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo 
Joegoslavië, Alexander Paul (I9781)
 
34 Alexander was van 11 juni 1917 tot aan zijn dood koning van Griekenland.

Hij volgde zijn vader op in 1917, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, nadat de Triple Entente en de volgelingen van Eleftherios Venizelos koning Constantijn I en zijn zoon George in ballingschap hadden genomen. Alexander had geen politieke ervaring en werd al snel van zijn macht ontnomen door de Venizelisten. De koning werd nagenoeg opgesloten in zijn eigen paleis. Venizelos, destijds minister-president, werd de leider en kon rekenen op de steun van de Triple Entente. Ondanks dat Alexanders positie was gereduceerd tot een marionet koning, bleef hij zich inzetten voor de troepen die waren ingezet in de oorlog tegen Bulgarije en het Ottomaanse Rijk. Gedurende zijn regeerperiode werd het grondgebied van Griekenland, als gevolg van de successen van de Triple Entente en de Grieks-Turkse Oorlog (1919-1922), vergroot.

Alexander trouwde met de omstreden Aspasia Manos in 1919. Het huwelijk lokte een groot schandaal uit, wat ertoe leidde dat Alexander en zijn vrouw het land moesten ontvluchten en enkele maanden niet in Griekenland verbleven. Snel na de terugkomst in Griekenland werd Alexander gebeten door een berberaap en overleed hij aan bloedvergiftiging. Het plotselinge overlijden van soeverein Alexander leidde tot een crisis omtrent de redding van de monarchie en droeg bij aan de val van de Venizelisten. Na algemene verkiezingen en een referendum werd de vader van Alexander, Constantijn I van Griekenland, weer verheven tot koning van Griekenland.

Hij was verwant aan meerdere koningshuizen in Europa. Zijn vader was de oudste zoon en troonopvolger van George I van Griekenland en Olga Konstantinova van Rusland; zijn moeder was de dochter van de Duitse keizer Frederik III van Duitsland en Victoria, prinses van Engeland. Alexander was een kleinzoon van de Griekse koning Christiaan IX van Denemarken en een neef van zowel koning George V van het Verenigd Koninkrijk als de Russische tsaar Nicolaas II. Sophia was de zuster van de Duitse keizer Wilhelm II en was ook een nicht van de Engelse koning George V, via haar grootmoeder Victoria van het Verenigd Koninkrijk.

Het jonge leven van Alexander speelde zich vooral af op het Koninklijk Paleis in Athene en op het Paleis van Tatoi. Met zijn ouders ondernam Alexander diverse buitenlandse reizen, waaronder een bezoek aan Schloss Friedrichshof, het slot van zijn grootmoeder Victoria van Saksen-Coburg en Gotha. Victoria had een grote toewijding voor haar Griekse kleinzoon Alexander.

Alexander had een goede verstandhouding met zijn jongere zus Helena van Griekenland. De relatie met zijn oudere broer George II was minder warm, nagenoeg omdat beiden weinig met elkaar gemeen hadden. Zijn oudere broer George was serieus en bedachtzaam, terwijl Alexander extravert en ondeugend was. Hij rookte sigaretten van vloeipapier, ontvlamde vuur in de speelkamer van het paleis en verloor roekeloos de controle over een speelwagentje, waarmee hij en zijn jongere broer Paul de heuvel afreden.

Militaire carrière
Als tweede zoon was Alexander de derde in lijn van troonopvolging. Zijn vader en broer George stonden respectievelijk op plaats één en twee. Zijn opleiding was zorgvuldig uitgestippeld en was erg duur. In tegenstelling tot zijn broer George, die een gedeelte van zijn militaire training vervulde in Duitsland, werd Alexander opgeleid in Griekenland. Hij volgde een opleiding aan de prestigieuze Hellenic Military Academy, waar verschillende ooms van hem hadden gestudeerd en waar hij meer bekend kwam te staan om zijn mechanische kundigheden dan om zijn intellectuele kunnen. Hij had een grote passie voor auto's en motoren en was één van de eerste Grieken die een eigen auto had.

Hij verwierf aanzien op het front ten tijde van de Balkanoorlogen van 1912-1913. Als een jonge officier werd hij samen met zijn oudere broer gestationeerd in de eenheid van zijn vader. Alexander was ook betrokken bij de inname van Thessaloniki in 1912. Koning George I van Griekenland werd vermoord en Alexanders vader Constantijn werd verheven tot koning.

Aspasia Manos

In 1915 kwam Alexander, op een feest van Theodore Ypsilanti in Athene, in contact met zijn vroegere jeugdvriendin Aspasia Manos. Ze was net teruggekeerd van opleidingen in Frankrijk en Zwitserland en werd omschreven als beeldschoon door haar kennissen. Ze was de dochter van de paardenmeester van Constantijn I, kolonel Petros Manos en zijn vrouw Maria Argyropoulos. De éénentwintigjarige Alexander was verliefd en vastberaden om haar aan zich te binden. Alexander besloot Aspasia te volgen naar het eiland van Spetses, waar zij haar vakantie doorbracht. Aspasia was resistent tegen de charme van Alexander. Alexander stond bekend als een echte vrouwenjager. Uiteindelijk wist Alexander Aspasia voor zich te winnen en verloofden de twee zich in het geheim. Voor Constantijn en Sophia, maar ook voor alle koningshuizen van Europa, was het ondenkbaar dat een koninklijke prins zou trouwen met een meisje van een andere maatschappelijke klasse.

Eerste Wereldoorlog

Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog besloot Constantijn I een politiek van neutraliteit na te streven. Toch was hij openlijk welwillend tegenover het Duitse Keizerrijk dat samen met Oostenrijk, Bulgarije en het Ottomaanse Rijk vocht tegen de Triple Entente, bestaande uit Rusland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Constantijn was de zwager van de Duitse keizer Wilhelm I en voelde genegenheid richting Duitsland vanwege zijn militaire opleiding in Pruisen. Zijn openlijke steun voor Duitsland leidde tot een breuk tussen de koning en de Griekse minister-president Eleftherios Venizelos. Venizelos wilde de Entente steunen, in de hoop het Griekse grondgebied uit te breiden en de Griekse minderheden in het Ottomaanse Rijk en de Balkan weer in te lijven bij het moederland. Onder bescherming van de landen van de Entente, in het bijzonder Frankrijk, vormde Venizelos een regering die parallel opereerde met die van de koning.

Ondanks dat delen van Griekenland waren bezet door de Triple Entente, weigerde Constantijn I zijn politiek te wijzigen en open oppositie toe te staan van de Entente en de Venizelisten. In juli 1916 ruïneerde een aanval door middel van brandstichting het Paleis van Tatoi en kon de Griekse koninklijke familie nauwelijks ontkomen aan het vuur. Alexander raakte niet gewond, maar zijn moeder redde haar dochter Catherine van Griekenland en Denemarken op het nippertje. Zestien mensen overleefden de brand niet.

Constantijn I kreeg op 10 juni 1917 het bevel van Charles Jonnart, de Hoge Commissaris van de Entente in Griekenland, om zijn functie neer te leggen. Onder druk van de aangekondige landingen van Entente-eenheden in Piraeus gaf de koning toe en besloot zelf in ballingschap te treden. Constantijn benadrukte dat hij niet aftrad. De Geallieerden wilden niet dat Griekenland zou veranderen in een republiek en zochten naar een geschikte opvolger binnen de familie van Constantijn. Oudste zoon George werd net als zijn vader gezien als pro-Duits. De broer van Constantijn, George van Griekenland, weigerde de aanstelling. Hij wilde niet meer in het publieke leven treden na een moeilijke ambtsperiode als Hoge Commissaris in Kroatië van 1901 tot 1905. Daarnaast wilde George loyaal blijven aan zijn broer. Zo werd Alexander, als tweede koningszoon, gekozen als de nieuwe monarch van Griekenland.

Regeerperiode
Troonsbestijging

Het ontslag van Constantijn I als koning van Griekenland werd niet unaniem ondersteund door de Triple Entente. Ondanks dat Frankrijk en Groot-Brittannië geen actie ondernamen tegen de acties van Jonnart, tekende Rusland protest aan in Parijs. Sint-Petersburg eiste dat Alexander niet de titel van koning zou krijgen, maar die van regent, teneinde de rechten van Constantijn en zijn opvolger George II te behouden. De protesten van Rusland werden terzijde gelegd en Alexander besteeg de Griekse troon.

Alexander legde de eed van loyaliteit aan de Griekse constitutie af op 11 juni 1917 in de balzaal van het Koninklijk Paleis. Naast de aartsbisschop van Athene waren alleen Constantijn I, George II en de minister-president van Constantijn I, Alexandros Zaimis, aanwezig bij de plechtigheid. Er waren geen festiviteiten. De 23-jarige had een gebroken stem en tranen in zijn ogen toen hij zijn declaratie maakte. Hij wist dat de Venizelisten en de Entente de echte macht in handen zouden houden en dat zowel zijn vader als broer officieel geen afstand hadden gedaan van de troon. Constantijn had zijn zoon laten weten dat hij hem alleen erkende als regent, maar niet als een echte koning.

De avond na de eedaflegging besloot de koninklijke familie om het koninklijk paleis in Athene te verlaten en zich terug te trekken in het Paleis van Tatoi. De inwoners van Athene waren tegen het ballingschap van hun soeverein en smeekten Constantijn I en zijn familie om de stad niet te verlaten. Op 12 juni ontvluchtte Constantijn en zijn familie de stad. Op het paleis van Tatoi liet Constantijn Alexander nogmaals weten dat Alexander de kroon alleen in bewaring hield. Het zou de laatste keer zijn dat Alexander fysiek contact met zijn familie zou hebben. De volgende dag vertrokken Constantijn, Sophia en al hun andere kinderen naar Oropos, waar zij in ballingschap zouden leven.

Marionet koning

Alexander kwam in een isolement terecht nadat zijn familie in ballingschap was getreden. Het koninklijk huis bleef onpopulair bij de Venizelisten en vertegenwoordigers van de Entente adviseerden de ooms en tantes van Alexander, waaronder prins Nicolaas van Griekenland, om Griekenland te verlaten. Uiteindelijk volgde de familie het voorbeeld van Constantijn. De koninklijke huishouding werd vervangen door vijanden van de voormalige koning en de bondgenoten van Alexander werden gevangengenomen of werden van hem verwijderd. Portretten van het koninklijk huis werden van publieke gebouwen weggehaald en de nieuwe ministers van Alexander noemde Alexander de "zoon van een verrader".

Op 26 juni 1917 werd de koning gedwongen om de republikein Eleftherios Venizelos te benoemen tot hoofd van de regering. Ondanks de beloften van de Entente dat minister-president Zaimis mocht aanblijven, werd Venizelos aangesteld en moest Zaimis aftreden. Alexander voerde direct oppositie tegen de visie van Venizelos. President Venizelos dreigde Alexander af te zetten en te vervangen door zijn minderjarige broer Paul. Een speciale raad zou dan in de naam van Paul opereren. De landen van de Entente grepen in en vroegen Venizelos zich in te houden. Alexander hield de kroon in zijn bezit. Onder constante bewaking van de aanhangers van Venizelos werd de monarch snel een gevangene in zijn eigen paleis. Zijn bevelen werden genegeerd.

Alexander had geen ervaring met staatszaken. Ondanks de moeilijke situatie probeerde Alexander er het beste van te maken en de verantwoordelijkheden van zijn vader zo goed als mogelijk waar te nemen. Vanwege de gespannen verhoudingen tussen de monarch en de regering deed Alexander nauwelijks moeite om de officiële documenten door te nemen. Zijn functies waren beperkt binnen de Griekse politiek, maar Alexander kreeg toch toestemming om het front in Macedonië te bezoeken. Hij probeerde de Griekse en geallieerde groepen te ondersteunen.

Griekse expansie

Aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was Griekenland, vergeleken met 1914, gegroeid in landoppervlakte. Het Verdrag van Neuilly (1919) en het Verdrag van Sèvres erkenden de huidige grenzen van Griekenland. Het grootste gedeelte van Thracië (vroeger verdeeld tussen Bulgarije en Turkije) en verschillende eilanden zoals Imbros en Tenedos behoorde voortaan tot Griekenland. De regio van Smyrna werd een mandaatgebied. Het koninkrijk van Alexander werd met ongeveer een derde vergroot. Venizelos eigende zich de meeste credits toe en vertrok naar Parijs voor de vredesonderhandelingen met het Ottomaanse Rijk en Bulgarije. Bij terugkomst in augustus 1920 ontving Venizelo een laurierkroon van de koning voor zijn werk.

Ondanks hun veroveringen hoopten de Grieken nog steeds om hun Megali Idea te verwezenlijken. Daarnaast wilden ze Constantinopel en grote delen van het Ottomaanse Rijk annexeren. De Grieken vielen Anatolië binnen en wilden Ankara veroveren. Hun doel was om de Turkse tegenstand onder leiding van Mustafa Kemal te vernietigen. Deze aanval luidde de Grieks-Turkse Oorlog (1919-1922) in. Gedurende de regeerperiode van Alexander boekte het Griekse leger succes op succes. De oorlog werd echter gewonnen in 1922 door de revolutionaire eenheden van Kemal.

Op 12 juni 1917, de dag na de troonsbestijging, openbaarde Alexander zijn verhouding met Aspasia Manos aan zijn vader. Alexander vroeg toestemming om met haar te mogen trouwen. Constantijn was onwillig om zijn zoon te laten trouwen met iemand zonder koninklijke achtergrond. Hij verzocht Alexander om te wachten totdat de oorlog voorbij was. Alexander ging hiermee akkoord. In de maanden die zouden volgen, ergerde Alexander zich aan de scheiding met zijn familie. De brieven die hij aan zijn ouders schreef werden onderschept en in beslag genomen. Alexanders enige troost was Aspasia en hij besloot, ondanks de belofte aan zijn vader, met haar in het huwelijk te treden.

De huidige dynastie van Griekenland was van Duits-Deense origine en Constantijn en Sophia werden door de Venizelisten als te Duits gezien. Het huwelijk van de koning met een Griekse werd gezien als een mogelijkheid om het koningshuis een meer Griekse tint te geven. Toch waren de Venizelisten bang dat Alexander via zijn schoonvader, kolonel Manos, kon communiceren met zijn familie in ballingschap. Zowel de Venizelisten als de aanhangers van Constantijn I waren geen voorstander van het huwelijk. Minister-president Venizelos waarschuwde Alexander dat een huwelijk met Aspasia niet goed zou vallen in de ogen van het volk.

In maart 1918 bracht de Engelse prins Arthur van Connaught en Strathearn een bezoek aan Athene om de koning de Orde van het Bad te overhandigen. Alexander was bang dat er over een huwelijk tussen hem en prinses Mary Windsor werd gediscussieerd. Het huwelijk zou de banden tussen Engeland en Griekenland versterken. Tot opluchting van Alexander vroeg Arthur om een ontmoeting met Aspasia. Hij suggereerde dat hij ook met Aspasia zou trouwen als hij nog jonger was geweest. Voor de buitenlandse grootmachten, in het bijzonder de Britse ambassadeur, werd het huwelijk als een positieve ontwikkeling gezien. De Britse autoriteiten vreesden dat Alexander zou abdiceren als hij niet met Aspasia mocht trouwen. De Britten wilden voorkomen dat Griekenland zou veranderen in een republiek. Een republiek zou een toename van de Franse invloed in het gebied betekenen.

De ouders van Alexander waren niet gelukkig met het aankomende huweljk. Sophia keurde het huwelijk van haar zoon met een meisje van een lagere klasse af. Constantijn opperde uitstel, zodat hij zijn zoon naar het altaar kon brengen. Alexander bracht een bezoek aan Parijs aan het einde van 1918. De familie hoopte contact te kunnen leggen met de koning nu hij in het buitenland verbleef. Toen koningin Sophia probeerde haar zoon aan de telefoon te krijgen, werd het telefoongesprek onderschept door een minister dien liet weten dat de koning niet kon reageren aan de telefoon. Alexander heeft nooit geweten dat zijn moeder hem heeft gebeld.

Publiek schandaal

Met de hulp van Aspasia's zwager, Christo Zalocostas, lukte het na drie mislukte pogingen, om in het geheim te trouwen voor een koninklijke predikant, Archimandrite Zacharistas. Alexander en Aspasia gaven elkaar het jawoord op 17 november 1919. Na de ceremonie moest de archimandrite absolute geheimhouding zweren. Hij verbrak zijn belofte echter en biechtte het huwelijk op aan de aartsbisschop van Athene, Meletius Metaxakis. Volgens de Griekse grondwet moesten leden van de koninklijke familie toestemming vragen om te trouwen aan zowel de soeverein als het hoofd van de Griekse Orthodoxe Kerk. Dit huwelijk zonder de goedkeuring van de aartsbisschop veroorzaakte dan ook een groot schandaal.

Ondanks de afkeuring van de unie, accepteerde Venizelos dat Aspasia en haar moeder intrek zouden nemen in het koninklijk paleis. Dit mocht enkel op de voorwaarde dat het huwelijk geheim zou blijven. De informatie lekte uit en Aspasia moest Griekenland ontvluchten. Aspasia vluchtte naar Rome en later naar Parijs. Zes maanden na het vertrek van Aspasia voegde Alexander zich bij zijn vrouw in Parijs. Alexander en Aspasia mochten niet samen op officiële gebeurtenissen verschijnen. Tijdens hun huwelijksreis in Parijs werden Aspasia en Alexander ooggetuige van een ongeluk in de buurt van Fontainebleau. Bij het ongeluk was de graaf van Kergariou betrokken. De koning reed de gewonde naar het ziekenhuis met zijn eigen auto. Aspasia, die was opgeleid tot verpleegster in de Eerste Wereldoorlog, verleende eerste hulp. De graaf was ernstig gewond en overleed niet veel later, nadat zijn beide benen waren geamputeerd.

De regering gaf toestemming aan het koppel om in het midden van 1920 terug te keren naar Griekenland. Aspasia werd niet erkend als koningin, maar stond bekend als "Madame Manos". In eerste instantie verbleef Aspasia bij haar zuster in de Griekse hoofdstad Athene, maar ze nam al snel haar intrek in het paleis Tatoi. Gedurende deze periode raakte ze in verwachting van Alexander.

Overlijden
Op 2 oktober 1920 raakte Alexander gewond toen hij aan het wandelen was op het landgoed van Tatoi. Een berberaap, die eigendom was van de beheerder van de wijnstokken, werd aangevallen door de Duitse herder van de koning. Alexander probeerde de twee dieren van elkaar te scheiden. Gedurende deze interventie, werd Alexander in zijn been en borst gebeten door een andere aap. Niet veel later arriveerde de knechten en joegen de apen weg. De apen zouden later worden gedood. De wonden van de koning werden schoongemaakt en verbonden, maar niet uitgebrand. Alexander nam het incident niet serieus genoeg en wilde niet dat het zou worden gepubliceerd.

De wonden raakten nog diezelfde avond geïnfecteerd. Alexander ondervond een hevige koorts en later volgde een bloedvergiftiging. De doktoren opperden dat het been moest worden geamputeerd, maar niemand wilde de verantwoordelijk nemen voor zo'n drastische maatregel. Op 19 oktober 1920 raakte Alexander in een verwarde toestand en vroeg hij om zijn moeder, maar de Griekse overheid weigerde Sophia toegang tot Griekenland. Sophia verbleef in Zwitserland. Uiteindelijk kreeg grootmoeder Olga, weduwe van koning George I, toestemming om naar Athene terug te keren om haar kleinzoon bij te staan. Olga ondervond problemen onderweg en Alexander was al gestorven toen zijn grootmoeder arriveerde. Alexander was overleden om 4 uur in de middag op 25 oktober 1920. De andere leden van het koningshuis vernamen het nieuws die avond via een telegram.

Twee dagen na de dood van de koning werd hij opgebaard in de Kathedraal van Athene. Het lichaam verbleef in de kathedraal tot de uitvaart op 29 oktober. De Griekse koninklijke familie kreeg geen toestemming om terug te keren naar Griekenland. Koningin Olga en prinses Aspasia waren de enige leden van de familie die de uitvaart bijwoonden. Buitenlandse delegaties waren onder andere prins regent Alexander I van Joegoslavië, Helena Petrovna van Servië, de Zweedse kroonprins Gustaaf VI Adolf van Zweden en de Zweedse prins Eugenius van Zweden.

Na de dienst in de kathedraal werd het lichaam van Alexander geborgen op het landgoed van Tatoi. De Griekse koninklijke familie heeft de regeerperiode van Alexander nooit gezien als legitiem. Op de koninklijke begraafplaats staat op het graf van Alexander "Alexander, zoon van de koning van Griekenland, Prins van Denemarken", terwijl de andere monarchen de titel "Koning van Denemarken, Prins van Denemarken" op hun graf hebben staan. Alexander regeerde als vervanger van zijn vader van 14 juni 1917 tot 25 oktober 1920.

Trivia
- De stad Alexandroupoli in de provincie Thracië in Griekenland werd vernoemd naar de koning 
van Griekenland, Alexander (I10190)
 
35 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Winsor, Alexander Patrick Gregers Richard (I10137)
 
36 Alexander, grootvorst van Rusland, was een kleinzoon in mannelijke lijn van tsaar Nicolaas I.

Door zijn huwelijk was Alexander de zwager van de tsaar geworden en had hij een bevoorrechte positie aan het hof. Hij was intelligent en ambitieus, en bekleedde een korte tijd de post van Minister van de Handelsvloot, een functie die speciaal voor hem in het leven was geroepen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wijdde de grootvorst zich aan de problemen van de militaire luchtvaart, maar de successen die hij hierin behaalde, waren niet algemeen bekend aan het hof en in de politiek. Alexander bleef echter niet altijd onbekend in de politiek. Hij publiceerde namelijk een boek, waarin een vrijmoedig standpunt neerzette: hij schreef dat de tsaar enkel zijn meest naaste familieleden op de belangrijke regeringsfuncties moest zetten.

Na de Russische Revolutie gingen Alexander en Xenia uit elkaar, waarna Xenia zich in Engeland vestigde 
van Rusland, Alexander Michajlovitsj (I10368)
 
37 Alexander, grootvorst van Rusland.

Toen Alexander geboren werd was zijn vader nog tsarevitsj van Rusland en zijn grootvader Alexander II tsaar van Rusland. Na zijn oudere broer, grootvorst Nicolaas, was grootvorst Alexander derde in lijn van troonopvolging. Alexander stierf aan hersenvliesontsteking en haalde dus niet zijn eerste verjaardag. Zijn ouders hebben hem na zijn dood gefotografeerd en laten tekenen om een herinnering aan hem te hebben 
van Rusland, Alexander Aleksandrovitsj (I10353)
 
38 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. Manley, Alexandra Christina (I9270)
 
39 Alexandra Nikolajevna Romanova werd binnen de familie “Adini” genoemd. Volgens de memoires van haar oudere zuster Olga Nikolajevna, was zij het favoriete kind van de tsaar, volgens de tsaar had alleen Alexandra het Pruisische uiterlijk van hun moeder geërfd. De tsaar noemde haar ook wel “mijn kleine moppet”.

Alexandra was beroemd in de rijke kringen van Sint-Petersburg, dit vanwege haar schoonheid en haar levende persoonlijkheid. Ze was ook de muzikant van haar familie.

Alexandra werd ernstig ziek door tuberculose kort voor haar trouwdag, dit zorgde voor problemen tijdens haar zwangerschap, dat kort na de trouwdag begon. Ze was nooit sterk genoeg om te reizen naar Hessen, om haar nieuwe positie te bekleden samen haar man. Ze bleven in Sint-Petersburg, waar haar gezondheid snel slechter werd.

Ze beviel te snel van haar baby, drie maanden voor ze was uitgeteld. Ze baarde een zoon, Willem. Het jongetje stierf vlak na zijn geboorte, en Alexandra stierf later op dezelfde dag. Haar ouders waren kapot van haar dood, beiden bleven tot aan hun eigen dood om Alexandra rouwen. Ze werd samen met haar zoontje in haar armen begraven in de Petrus en Pauluskathedraal te Sint-Petersburg.

In de tuinen van het Peterhof dicht bij Sint-Petersburg, is een herdenkingsbankje met een klein buste van de Grootvorstin. Haar kamers in het paleis werden op verzoek van de tsaar en tsarina op precies dezelfde manier achtergelaten zoals Alexandra dat had gedaan 
van Rusland, Alexandra Nikolajevna (I10431)
 
40 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. von Hannover, Alexandra Charlotte Ulrike Maryam Virginia (I10420)
 
41 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. van Luxemburg, Alexandra Joséphine Teresa Charlotte Marie Wilhelmine (I10001)
 
42 Alexandra was als kleindochter van koning Eduard VII van het Verenigd Koninkrijk lid van het Britse koninklijk huis. Zij en haar zus Maud hadden als kleindochters van een Brits vorst in vrouwelijke lijn geen recht op een koninklijke titel maar kregen van hun grootvader de titel prinses en de aanspreektitel “Hoogheid”.

Bij haar geboorte was ze vierde in lijn voor troonopvolging. Als kleindochter in vrouwelijke lijn van een Brits monarch had Alexandra geen recht op de titel prinses, maar kreeg ze de naam Lady Alexandra Duff, als dochter van een hertog. Haar vader had zijn hertogelijke titel twee dagen na zijn huwelijk met haar moeder gekregen. Toen later bleek dat haar ouders geen zoon zouden krijgen (ze hadden later nog een dochtertje, Maud, gekregen), kreeg haar vader een tweede titel van Hertog van Fife die ook over kon gaan op een dochter bij gebrek aan een mannelijke erfgenaam.

In 1905 werd Alexandra’s moeder tot Princess Royal benoemd door koning Eduard VII. Ook besloot hij dat Alexandra en haar zusje Maud de titel “Prinses” en de aanspreektitel “Hoogheid” zouden krijgen. Zonder verdere toevoeging. Vanaf dat moment ging Alexandra dus door het leven als Hare Hoogheid Prinses Alexandra.

In december 1911 leed Alexandra’s familie schipbreuk voor de kust van Marokko, terwijl zij op weg waren naar Egypte. Ze bleven allemaal ongedeerd, maar Alexander kreeg pleuritis, waarschijnlijk als gevolg van de schipbreuk. Hij stierf in Aswan, Egypte, op 12 januari 1912. Prinses Alexandra volgde vervolgens haar vader op als de tweede hertogin van Fife en gravin van Macduff.

Verdere levensloop
Alexandra en Arthur traden regelmatig op namens Alexandra’s oom, koning George V, en later haar neef, koning George VI. Alexandra diende ook als regentes tussen 1937 en 1944, waarvoor ze namens de vorst optrad tijdens diens afwezigheid in het land.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende de prinses als zuster in het St. Mary’s Hospital in Paddington. Toen haar man werd aangesteld als gouverneur-generaal van de Unie van Zuid-Afrika in 1920, vergezelde ze hem naar Pretoria, waar ze werkte voor een aantal plaatselijke ziekenhuizen. Bij hun terugkeer in Engeland nam ze nog regelmatig verplichtingen waar namens de vorst. Ze stierf uiteindelijk in 1959 in haar huis in Londen.

Hun zoon was al in 1943 overleden, een jaar nadat hij zijn grootvader Arthur was opgevolgd als hertog van Connaught en Strathearn. Het hertogdom Fife ging daarom over op haar neef James Carnegie, de enige zoon van haar zus Maud.

Titels
- Lady Alexandra Duff (1891-1905)
- Hare Hoogheid Prinses Alexandra (1905-1912)
- Hare Hoogheid De Hertogin van Fife (1912-1913)
- Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Arthur van Connaught (1913-1959) 
Duff, Alexandra Victoria Alberta Edwina Louise (I10047)
 
43 Alexandra was door haar huwelijk met de Britse koning Eduard VII koningin van het Verenigd Koninkrijk en keizerin van Indië. Vóór de troonsbestijging van haar echtgenoot, was ze Prinses van Wales van 1863 tot 1901. Vanaf 1910 tot aan haar dood was haar titel Koningin-moeder (Queen Mother), als moeder van de toenmalige regerende koning George V. Alexandra zelf gaf de voorkeur aan Her Majesty, Queen Alexandra.

Haar familie was relatief onbekend bij de Europese Koninklijke families tot haar vader, met instemming van de grote mogendheden, werd gekozen om de Deense koning Frederik VII op te volgen als koning. Toen ze zestien jaar was werd ze verkozen tot de toekomstige bruid van Albert Eduard, de Prins van Wales en erfgenaam van koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk. Het huwelijk vond achttien maanden later plaats.

Als Prinses van Wales, van 1863 tot 1901, de langste die deze titel hield in de geschiedenis, won ze de harten van Britse bevolking en werd immens populair; haar stijl van kleden en het dragen ervan werden gekopieerd door modebewuste vrouwen in die tijd. Hoewel ze grotendeels uitgesloten was van alle politieke macht, heeft ze -tevergeefs- geprobeerd om de mening van de ministers en haar familie te veranderen, ten gunste van haar familieleden die regeerden over het Koninkrijk Griekenland, het Keizerrijk Rusland en Koninkrijk Denemarken.

Na de dood van haar man, Eduard VII, in 1910 werd Alexandra's tweede zoon koning George V. Ze was altijd al een fel tegenstander geweest van keizer Willem II van Duitsland, oudste zoon van prinses Victoria, de oudere zus van Eduard VII. Daarom toonde ze zich ook een erg stimulerende voorstander van haar zoon tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin het Verenigd Koninkrijk en zijn bondgenoten het Duitse Keizerrijk versloegen.

Hoewel ze niet bijzonder rijk waren, huwden de meesten van haar broers en zusters met belangrijke personen. Haar jongere zuster, prinses Dagmar, werd later als Maria Fjodorovna de vrouw van de Russische tsaar Alexander III en de moeder van Nicolaas II. Alexandra had een oudere broer: Frederik (1843-1912), de latere koning Frederik VIII, huwde prinses Louise van Zweden, dochter van koning Karel XV en prinses Louise der Nederlanden. Ze had twee jongere broers: Willem (1845-1913) werd in 1863 als George I koning van Griekenland, huwde grootvorstin Olga Konstantinova van Rusland. Haar jongste broer Waldemar (1858-1939) huwde prinses Marie van Bourbon-Orléans, een nakomelinge van koning Lodewijk Filips van Frankrijk. Alexandra had nog een andere jongere zuster: Thyra (1853-1933) huwde Ernst August II van Hannover. Daardoor werd haar vader ook weleens de "schoonvader van Europa" genoemd.

Prinses van Wales
Huwelijk met Bertie


Alexandra’s neef, de Britse prins Albert Eduard, prins van Wales, ook wel bekend als “Bertie”, gaf al op jonge leeftijd zijn ouders, koningin Victoria en prins Albert, reden tot ongerustheid. Alexandra van Denemarken was niet Victoria's eerste keus als echtgenote voor haar zoon, omdat de Denen het niet goed konden vinden met de Pruisen. De meeste familieleden van de Britse koninklijke familie waren namelijk Duits.

Maar bij een ontmoeting werd Koningin Victoria overrompeld door de schoonheid van de jonge Alexandra. Victoria gaf haar goedkeuring voor het huwelijk. Ook Eduard was van zijn toekomstige vrouw gecharmeerd. Alfred Tennyson, een van Engels beroemdste dichters en de Poet Laureate, schreef een ode aan Alexandra, en Arthur Sullivan componeerde speciale muziek om Alexandra te verwelkomen in het Verenigd Koninkrijk. Eduard en Alexandra trouwden op 10 maart 1863. Alexandra’s vader besteeg acht maanden later de troon van Denemarken. Het huwelijk werd gesloten in de St. George’s Kapel in Windsor. Deze gebeurtenis werd vastgelegd door de schilder William Powell Frith.

Gezinsleven

Alexandra genoot van vele activiteiten zoals dansen en schaatsen. Na de geboorte van haar eerste kind, prins Albert Victor ("Eddy") in 1864, veranderde Alexandra niet veel, wat leidde tot onenigheid tussen het jonge koppel en de koningin. Na de geboorte van haar derde kind in 1867 waren er levensbedreigende complicaties zodat ze de rest van haar leven slecht ter been was. Ze leed verder aan verergerende doofheid, die erfelijk was. Ze was zich bewust van een litteken in haar nek, dat ze had opgelopen in haar jeugd. Dit litteken probeerde Alexandra te verbergen door hoge jurken en sieraden te dragen. Omdat Alexandra een mooie vrouw was, werd deze manier van kleden een grote rage.

Eduard en Alexandra maakten van Sandringham House hun permanente residentie en het huwelijk was op vele gebieden gelukkig maar kende toch zijn up en downs. Zo gaf Eduard zijn vrouw en kinderen niet de aandacht die ze hadden gewild, en hield er daarentegen wel heel wat 'vriendinnen' op na. De echtgenoten vervreemdden van elkaar, tot 1870 toen Eduard ernstig ziek werd. Het huwelijk beleefde voor- en tegenspoed. Eduard ging, nadat hij de genegenheid van zijn vrouw had teruggewonnen, gewoon door met zijn maîtresses, zoals de actrices Lillie Langtry, Daisy Greville de gravin van Warwick, Agnes Keyser en Alice Keppel.

Alexandra zelf bleef Eduard haar hele leven trouw.

De dood van prins Albert Victor in 1892 was een zware slag voor de gevoelige Alexandra. Ze stond erop dat Alberts kamer onberoerd bleef. Haar schoonmoeder, koningin Victoria, had hetzelfde gedaan toen prins Albert stierf in 1861. Dankzij hevige make-up bleef Alexandra er tijdens haar latere jaren goed uitzien.

Koningin
Toen koningin Victoria in 1901 stierf werd Alexandra’s man koning. Ze was koningin van 1901 tot 1910 en daarna werd ze Queen Mother. Alexandra werd bijzonder populair bij het Britse volk door haar liefdadige inspanningen en vooral Alexandra Rose Day. Tijdens de Tweede Boerenoorlog, stichtte ze het fonds Queen Alexandra’s Nursing Corps, dat bekend werd als de “Q.A.s.”. Alexandra verachtte de Duitsers vanwege de verovering door Pruisen van de Deense gebieden Sleeswijk en Holstein in de Tweede Duits-Deense Oorlog in 1864. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd er gezegd dat haar zoon George V opdracht gaf om alle wapens van de Orde van de Kousenband van diegenen die vochten voor Duitsland, te verwijderen uit St. George’s Kapel in Windsor. Dit zou een opdracht zijn geweest van koningin Alexandra. Een andere reden om die wapens te verwijderen was dat wanneer er iemand werd beëdigd tot ridder, deze moest zweren om geen oorlog tegen de Britse vorst te voeren.

Alexandra was de eerste vrouw sinds 1488 die tot Lady of the Garter werd benoemd.

Alexandra stierf aan de gevolgen van een hartaanval. Ze werd bijgezet naast haar man in St. George’s Chapel in Windsor.

Titels
- Hare Hoogheid Prinses Alexandra van Sleeswijk-Holstein-Sonderburg-Glücksburg (1844 – 1853)
- Hare Hoogheid Prinses Alexandra van Denemarken (1853 - 1858)
- Hare Koninklijke Hoogheid Prinses Alexandra van Denemarken (1858) - 1863)
- Hare Koninklijke Hoogheid de Prinses van Wales (1863 - 1901)
- Hare Majesteit de Koningin (1901 - 1910)
- Hare Majesteit Koningin Alexandra, de Koningin-moeder (1910 - 1925) 
van Denemarken, Alexandra Caroline Marie Charlotte Louise Julia (I9894)
 
44 Alexandra was een prinses van Griekenland en van 1889 tot aan haar dood grootvorstin van Rusland door haar huwelijk met Paul Aleksandrovitsj van Rusland.

Ze werd in huiselijke kring "Greek Alix" of "Aline" genoemd en was erg geliefd bij haar familie. "Ze had een bepaalde puurheid waarmee ze iedereen aan zich wist te binden", liet haar broer Nicolaas weten. "Ze zag er jong en beeldschoon uit en ze leek een plezierig en gelukkig leven te krijgen." Ze had nauwe relaties met het Russische koningshuis via haar moeder Olga, de dochter van de Russische groothertog Constantijn Nikolajevitsj van Rusland. Haar vader was een neef van de Russische tsarina Dagmar van Denemarken, de vrouw van tsaar Alexander III van Rusland.

Overlijden
Bij een wandeling met vrienden langs de oever van de Mosvka rivier en het instappen in een bootje maakte Alexandra, zeven maanden zwanger, een misstap en kwam zwaar ten val. De volgende dag stortte ze in elkaar omdat ze hevige pijnen onderging. Ze beviel van haar zoon Dimitri en kwam in een comateuze toestand terecht. Zes dagen later kwam ze te overlijden op het landgoed Ilyinskoe, dicht bij Moskou. De groothertogin werd begraven in de Petrus- en Pauluskathedraal te Sint-Petersburg. Haar rouwende echtgenoot moest worden tegengehouden om zelf ook niet in het graf te springen.

In 1939, tijdens de regeerperiode van haar neef George II van Griekenland, vroeg het Griekse parlement aan de Sovjet-Unie toestemming om Alexandra opnieuw te begraven in Griekenland. Haar lichaam werd verwijderd uit de graftombe in Sint-Petersburg en werd verscheept naar Athene. Alexandra werd uiteindelijk nabij het Paleis van Tatoi ter ruste gelegd. Haar grafsteen in de Petrus-en-Pauluskathedraal is nog steeds intact 
van Griekenland, Alexandra (I10179)
 
45 Tenminste nog één levende persoon is verbonden aan deze aantekening - detailgegevens worden niet weergegeven. van Kent, Alexandra Helen Elizabeth Olga Christabel (I10161)
 
46 Alexandra, hertogin van Oldenburg, grootvorstin van Rusland en na haar huwelijk Alexandra Petrovna Romanov.

Alexandra was erg intelligent, maar lichtgeraakt en gewelddadig. Ook had ze last van oncontroleerbare woedebuien. Er werd gezegd dat haar oudste zoon Nicolaas dit karakter van haar had geërfd. Een goed voorbeeld hiervan is de situatie die zich voordeed in 1905. Rusland had net de Russisch-Japanse Oorlog verloren en er waren veel onrusten in het land. Om die de kop in te drukken wilde tsaar Nicolaas II grootvorst Nicolaas aanstellen als militair dictator. De grootvorst verloor zijn zelfbeheersing en dreigde zichzelf voor de ogen van de tsaar neer te schieten als die de hervormingen, die waren voorgesteld door Sergej Witte, niet doorvoerde.

Alexandra had haar man rond 1880 verlaten en was naar Kiev gegaan. Daar omringde ze zichzelf met nonnen en fanatieke priesters. Uiteindelijk werd ze zelf non, met de kloosternaam Anastasia 
von Oldenburg, Alexandra Friederike Wilhelmine (I10625)
 
47 Alexandra, prinses van Griekenland, koningin van Joegoslavië. Ze werd exact vijf maanden na de dood van haar vader geboren en is samen met haar moeder de enige binnen de Griekse koninklijke familie geweest die van direct Grieksen bloede was.

Alexandra groeide op in een vijandige omgeving. Enerzijds was er het Griekse volk dat haar wantrouwde vanwege de afkeer dat het had van haar vader en vooral van zijn huwelijk met haar moeder. Anderzijds werd zij binnen haar familie met scheve ogen aangekeken wegens de slechte verhouding tussen de koninklijke familie en haar moeder en in het bijzonder als gevolg van de slechte verstandhouding tussen haar vader en grootvader, Constantijn I.

Alexandra huwde in Londen met koning Peter II van Joegoslavië, die daar in ballingschap leefde.

Nadat in Joegoslavië de monarchie werd afgeschaft vestigde het gezin zich in de Verenigde Staten. Na de dood van haar man in 1970, ging Alexandra in Groot-Brittannië wonen, waar zij in 1993 overleed. Zij werd begraven op het kerkhof bij het Tatoi-paleis, de zomerresidentie van de voormalige koningen van Griekenland 
van Griekenland, Alexandra (I10197)
 
48 Alexandra, Prinses van Saksen-Altenburg.

Alexandra's grootvader aan vaderskant was Frederik van Saksen-Altenburg en haar grootvader aan moederskant was Lodewijk van Württemberg, een broer van koning Frederik I en hij was ook een broer van tsarina Maria Fjodorovna. Alexandra was de vijfde dochter van hertog Jozef van Saksen-Altenburg en zijn vrouw. Alexandra had alleen maar zussen en geen broers. En toen haar vader in 1868 stierf werd hij opgevolgd door Alexandra's oom hertog George van Saksen-Altenburg.

Ze kreeg na haar huwelijk de naam “Alexandra Josipovna Romanova”. Grootvorstin Alexandra was erg conservatief en onthield zich van de Russische society in Sint-Petersburg, die ze te modern en vooruitstrevend vond. Haar huis in Pavlovsk weerspiegelde haar behoudendheid; het leek uit een vervlogen tijd te stammen. Alles stamde nog uit de Directoire-stijl: de meubels, de tapijten, de kleding, enz. De meeste meubels waren aan het eind van de achttiende eeuw uit verschillende Europese landen geïmporteerd voor in de verschillende Russische paleizen. Pas in 1910 werd er elektriciteit aangelegd in het huis, waardoor de gloeilampen de kaarsen vervingen 
von Sachsen-Altenburg, Alexandra Friederike Henriette Pauline Marianne Elisabeth (I10578)
 
49 Alexandrine stond na de dood van haar man in 1842 aan het Mecklenburger hof bekend als Groothertogin-moeder. Zij woonde het grootste gedeelte van het jaar in het Alexandrinenpaleis in Schwerin. Bijna vijftig jaar bleef ze een middelpunt aan het hof. Ze wijdde zich vooral aan de liefdadigheid. Haar achterkleindochter, kroonprinses Cecilie van Duitsland omschreef haar als eine heitere Natur, besaß sie viel Humor und hat auch bis in ihere letzte Tage hinein ihr herzliches Lachen nicht verlernt. Mit sehr viel natürlichem Verstand verband sie große Menschenkenntnis und verfügte über die Gabe einer gewandten Unterhaltung von Preußen, prinses Friederike Wilhelmine Alexandrine Marie Helene (I9217)
 
50 Alexandrine was een Pruisische prinses uit het Huis Hohenzollern.

Alexandrine, die in familiekring Adini werd genoemd, leed aan het syndroom van Down. Binnen de familie werd daar met grote vanzelfsprekendheid op gereageerd. Zij groeide op met haar broers en jongere zusje. Eerst in Potsdam, later - na de afschaffing van de monarchie - in Oels (Silezië), waar de familie een klein landgoed bezat. Zij bezocht vanaf 1932 een bijzondere school voor verstandelijk gehandicapte kinderen die de pedagoog Johannes Trüper had opgericht. Dat was de eerste school gericht op kinderen met een verstandelijke beperking in heel Europa. Vanaf 1936 woonde de prinses in Beieren waar ze tijdens de Tweede Wereldoorlog een teruggetrokken bestaan had. Eind 1945 betrok ze een huis aan de Starnberger See, waar ze tot haar dood woonde.  
von Preußen, Prinses Alexandrine Irene (I11141)
 

      1 2 3 4 5 ... 13» Volgende»